Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201408401/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:7477, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over 2010 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil, en € 3.238,00 aan het teveel uitgekeerde van hem teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408401/1/A2.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2014 in zaak nr. 13/4551 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over 2010 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil, en € 3.238,00 aan het teveel uitgekeerde van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 september 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2015, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] ontving huurtoeslag over 2010. Doordat een door [appellant] afgesloten lijfrentepolis in dat jaar tot uitkering kwam, is het verzamelinkomen van [appellant] hoger dan het voor hem geldende norminkomen voor de huurtoeslag, zodat hij niet in aanmerking komt voor huurtoeslag. In hoger beroep ligt de vraag voor of de Belastingdienst/Toeslagen de uitgekeerde lijfrente bij het bepalen van de draagkracht van [appellant] voor de huurtoeslag buiten beschouwing had moeten laten.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat hem de bevoegdheid tot het buiten beschouwing laten van de uitgekeerde lijfrente ontbreekt, omdat de inkomensbestanddelen die buiten beschouwing mogen worden gelaten, in artikel 2b, eerste lid, van het Besluit op de huurtoeslag (hierna: Bht) limitatief zijn opgesomd en lijfrente-uitkering in die opsomming niet is opgenomen. Gelet hierop kan de uitgekeerde lijfrente niet buiten beschouwing worden gelaten en dient bij het bepalen van de draagkracht van [appellant] voor de huurtoeslag te worden uitgegaan van het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen, aldus de Belastingdienst/Toeslagen. De rechtbank heeft geoordeeld dat die dienst zich terecht op dat standpunt heeft gesteld.

3. [appellant] komt op tegen dit oordeel van de rechtbank. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij een uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2011 in zaak nr. 201007455/1/H2. Die zaak heeft betrekking op periodieke lijfrente-uitkeringen, terwijl het in zijn geval gaat om een uitgekeerde koopsompolis. Verder heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich eerst ter zitting bij de rechtbank op voormelde uitspraak van 30 maart 2011 beroepen, en kon hij zich daardoor niet adequaat verweren, aldus [appellant].

3.1. In voormelde uitspraak van 30 maart 2011 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in artikel 2b van het Bht bepaalde wel de mogelijkheid biedt bepaalde bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing te laten bij de beoordeling of en in hoeverre aanspraak bestaat op huurtoeslag, maar dat daartoe niet de periodieke lijfrente-uitkering behoort. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus, dat zijn situatie verschilt van die in voormelde uitspraak omdat hij een koopsompolis en geen periodieke lijfrente-uitkeringen heeft.

3.2. Een koopsompolis is een lijfrentepolis waarbij niet periodiek premie wordt afgedragen, maar waarbij eenmalig een bedrag wordt ingelegd. Wanneer een lijfrentepolis na verloop van tijd vrijkomt, keert de verzekeraar lijfrente uit. De verzekeraar heeft [appellant] in termijnen uitkeringen gedaan. Anders dan [appellant] betoogt heeft hij dan ook periodieke lijfrente-uitkeringen ontvangen. Of die periodieke lijfrente-uitkeringen voortvloeien uit een koopsompolis, waarbij eenmalig een bedrag is ingelegd, of uit een lijfrentepolis, waarvoor periodiek premie is afgedragen, is daarbij niet relevant. De rechtbank heeft dan ook terecht aansluiting gezocht bij voormelde uitspraak van 30 maart 2011 en geoordeeld dat het in artikel 2b van het Bht bepaalde niet de mogelijkheid biedt periodieke lijfrente-uitkeringen buiten beschouwing te laten bij de huurtoeslag.

3.3. Dat de Belastingdienst/Toeslagen eerst ter zitting in beroep heeft gewezen op voormelde uitspraak van 30 maart 2011 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de Belastingdienst/Toeslagen op die uitspraak heeft gewezen ter staving van een reeds tijdens de besluitvorming ingenomen standpunt.

3.4. Het betoog faalt.

4. Ter zitting heeft [appellant] voorts betoogd dat de uitgekeerde lijfrente moet worden gelijkgesteld met ouderdomspensioen. Afkoopsommen van ouderdomspensioen kunnen op grond van artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bht buiten beschouwing worden gelaten. Daarbij heeft [appellant] gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014 in zaak nr. 201310558/1/A2, waarin is geoordeeld dat een lijfrente-uitkering niet kan worden gelijkgesteld met afkoopsommen van ouderdomspensioen omdat een lijfrente-verzekering geen uitkering is die voortvloeit uit een pensioenregeling die in het kader van een arbeidsrelatie is overeengekomen tussen werkgever en werknemer. Volgens [appellant] verschilt zijn situatie van die in voormelde uitspraak doordat hij als zelfstandig architect werkzaam was en dus zijn eigen werkgever was, zodat de uitgekeerde lijfrente in zijn geval wel gelijk kan worden gesteld met afkoopsommen van ouderdomspensioen.

4.1. Ingevolge artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bht, zoals dat gold ten tijde van belang, blijven op verzoek bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing: afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

4.2. Het in artikel 2b, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bht bepaalde biedt grondslag om de afkoopsommen van een ouderdomspensioen buiten beschouwing te laten. Daarvan dient te worden onderscheiden het ouderdomspensioen zelf. De vraag die thans voorligt is dan ook of de aan [appellant] uitgekeerde lijfrente dient te worden gelijkgesteld met vorenbedoelde afkoopsommen.

4.3. Ingevolge artikel 1 van de Pensioenwet wordt onder afkoop verstaan iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen. De afkoop van klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming is geregeld in artikel 66 van de Pensioenwet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 103) volgt dat een ouderdomspensioen in beginsel levenslang moet worden uitgekeerd. De wetgever heeft het in artikel 66 van de wet mogelijk gemaakt kleine pensioenaanspraken in de periode vóór pensionering af te kopen om de relatief hoge administratieve lasten van kleine pensioenaanspraken voor pensioenuitvoerders te beperken.

Uit het voorgaande volgt dat de afkoop van een kleine pensioenaanspraak inhoudt dat de pensioenuitvoerder de pensioendeelnemer niet levenslang pensioen uitkeert, maar in plaats daarvan eenmalig een bedrag betaalt waarna de aanspraak op een levenslange pensioenuitkering vervalt. Dat [appellant] lijfrente uitgekeerd heeft gekregen vloeit rechtstreeks voort uit een daartoe strekkende overeenkomst die [appellant] met de verzekeraar heeft gesloten en kan dan ook niet worden gezien als afkoop van een aanspraak. Reeds hierom kan de afkoop van een kleine pensioenaanspraak niet op een lijn worden gesteld met het periodiek uitkeren van lijfrente.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Van Dokkum

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

480-799.