Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3844

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201503492/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:2165, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2014 heeft het college geweigerd [appellante] in te schrijven op het briefadres [locatie] te Almere.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2016/1119
Module GBA 2016/1169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503492/1/A3.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Almere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2015 in zaak nr. 14/7760 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2014 heeft het college geweigerd [appellante] in te schrijven op het briefadres [locatie] te Almere.

Bij besluit van 19 november 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit ziet op de periode vanaf 1 juli 2014, omdat uit de basisregistratie personen blijkt dat [appellante] met ingang van die datum daarin is opgenomen met een woonadres, en het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het ziet op de periode van 26 november 2013, de datum van aangifte, tot 1 juli 2014.

Bij uitspraak van 27 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2015, waar [appellante], bijgestaan door mr. C.G.M. Oosterwijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Dodewaard, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp) wordt onder het woonadres verstaan:

1° het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

2° het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.

Ingevolge die aanhef en onder p, wordt onder het briefadres verstaan het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen.

Ingevolge artikel 2.23, eerste lid, wordt, indien het woonadres ontbreekt, dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, op aangifte een briefadres opgenomen.

Ingevolge artikel 2.39, derde lid, kiest een ingezetene, indien hij geen woonadres heeft, een briefadres.

Ingevolge artikel 2.45, eerste lid, geeft degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en artikel 2.43, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders de inlichtingen ter zake van zijn aangifte die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

2. Het college heeft aan het besluit van 19 november 2014 ten grondslag gelegd dat [appellante] in strijd met artikel 2.45, eerste lid, van de Wet brp onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over haar feitelijke verblijfplaatsen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of zij een woonadres had, dan wel met een briefadres kon worden opgenomen in de basisregistratie personen, aldus het college.

3. [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college zich op dat standpunt mocht stellen. Zij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij, met de door haar overgelegde lijst met de namen en telefoonnummers van de bewoners van de adressen waar zij en haar zes kinderen sinds de gedwongen verkoop van haar woning in 2012 hebben gewoond, alle relevante inlichtingen aan het college heeft verstrekt.

Volgens [appellante] handelt het college met de eis die adressen bekend te maken in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voert zij aan dat alleenstaanden zonder woonadres bij het Leger des Heils in Almere kunnen worden opgevangen en op dat adres kunnen worden ingeschreven met een briefadres. De gemeente Almere biedt echter geen of onvoldoende opvangmogelijkheden voor gezinnen met kinderen. Aldus geldt bij de toekenning van een - voor een uitkering benodigd - briefadres voor alleenstaanden niet en gezinnen wel de eis opgave te doen van de adressen waar men feitelijk verblijft. Het college mocht deze eis niet stellen, nu er voor het gezin van [appellante] geen opvangmogelijkheid in Almere was.

[appellante] voert voorts aan dat de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 in zaak nr. 201407383/1/A3, waarop het college zich beroept, geen relevantie heeft, omdat die uitspraak een persoon betreft die kennelijk geen gebruik maakte van de opvangmogelijkheid bij het Leger des Heils, terwijl in het thans voorliggende geval het Leger des Heils heeft geweigerd haar gezin op te vangen.

[appellante] wijst op een rapport van de gemeentelijke ombudsman van 14 februari 2013 en een publicatie van de Sociaal Raadslieden in Almere van 4 september 2014. Volgens haar hebben het rapport en de publicatie betrekking op met deze zaak vergelijkbare gevallen, waarin het college verzoeken om een briefadres in de basisregistratie op te nemen wel heeft ingewilligd.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 maart 2015 in zaak nr. 201407383/1/A3), is het doel van de Wet brp dat de in de basisregistratie personen vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de basisregistratie gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd. Voor zover geen adres kan worden aangewezen dat door de betrokkene wordt bewoond, moet het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten als diens woonadres worden beschouwd. Eerst bij het ontbreken van een woonadres, geldt een briefadres als adres.

3.2. Niet in geding is dat [appellante], hoewel daartoe voldoende in de gelegenheid gesteld, het college geen inlichtingen heeft verstrekt over de adressen waar haar gezin feitelijk verblijfplaats had. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat zonder die informatie niet kon worden onderzocht of [appellante] daadwerkelijk geen woonadres had en zij daarom geen aanspraak had op een briefadres. Dat de bewoners van de adressen waar haar gezin verbleef niet toestonden dat hun adres als verblijfplaats bij het college werd opgegeven en dat het Leger des Heils in Almere geen gezinnen opvangt, betekent niet dat het college deze inlichtingen niet mocht verlangen om met zekerheid te kunnen vaststellen dat geen briefadres werd toegekend aan een persoon met een woonadres. Aan de weigering van [appellante] deze inlichtingen te verstrekken mocht het college consequenties verbinden.

Het college heeft onweersproken gesteld dat van een ieder die aangifte doet, als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, van de Wet brp, wordt gevraagd inzicht in zijn of haar verblijfssituatie te geven. De rechtbank heeft terecht in het betoog van [appellante] geen grond gevonden voor het oordeel, dat het college ter zake van deze inlichtingenplicht gezinnen en alleenstaanden ongelijk behandelt.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling van deze zaak terecht de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 in zaak nr. 201407383/1/A3 betrokken. Ook in die zaak is geoordeeld dat de betrokkene onvoldoende inlichtingen over zijn feitelijke verblijfplaatsen had verstrekt en daarom geen aanspraak had op een briefadres.

Het beroep van [appellante] op het rapport van de gemeentelijke ombudsman van 14 februari 2013 en de publicatie van de Sociaal Raadslieden in Almere van 4 september 2014, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat die stukken voor deze zaak niet relevant zijn. In de zaken waarop die stukken betrekking hebben was door de aanvragers aan de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 2.45, eerste lid, van de Wet brp, voldaan.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Bijloos w.g. De Wilde

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

598.