Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201501781/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:392, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft de minister het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het op de markt brengen van niet CE-gecertificeerde bermbeveiligingsvoorzieningen (hierna: halve step barriers) door Steel Constructions B.V. afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501781/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante], gevestigd te [plaats], [gemeente],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 januari 2015 in zaak nr. 13/2301 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Wonen en Rijksdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft de minister het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het op de markt brengen van niet CE-gecertificeerde bermbeveiligingsvoorzieningen (hierna: halve step barriers) door Steel Constructions B.V. afgewezen.

Bij besluit van 17 juni 2013 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup en mr. E. de Ruiter, beiden werkzaam bij de inspectie Leefomgeving en Transport, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Steel Constructions B.V., vertegenwoordigd door D.J. de Vries, bijgestaan door N.A. Zonder, verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] is fabrikant van zogenoemde halve step barriers. Zij heeft op 3 september 2012 de minister verzocht om handhaving, omdat een concurrerend bedrijf, Steel Constructions B.V., 129 halve step barriers zonder CE-markering heeft geleverd voor de rijksweg A7 ter hoogte van de afrit Drachten. Volgens haar leidt het handelen van Steel Constructions B.V. tot oneerlijke concurrentie, nu deze halve step barriers, althans de onderdelen daarvan, op de markt brengt zonder op dat moment te beschikken over de vereiste CE-markering en dat goedkoper dan haar concurrenten kan doen.

De minister heeft Steel Constructions B.V. bij brief van 21 februari 2013 bericht dat zolang ze niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in NEN-EN 1317 deel 1-5, ze geen halve step barriers in de handel mag brengen of op de markt mag aanbieden. Voorts is in die brief vermeld dat de minister uit een e-mail van 14 februari 2013 van Steel Constructions B.V. heeft begrepen dat de crashtests als omschreven in NEN-EN 1317 voor vergelijkbare halve step barriers als geleverd voor de rijksweg A7 in week 7 van 2013 hebben plaatsgevonden en dat Steel Constructions B.V. verwacht dat het conformiteitscertificaat binnen veertien dagen na de datum van deze e-mail zal worden afgegeven. De minister heeft Steel Constructions B.V. in voormelde brief verzocht om het certificaat voor de CE-markering en de zogenoemde prestatieverklaring van de fabrikant over te leggen. Voorts heeft de minister Steel Constructions B.V. gewaarschuwd dat handhavend zal worden opgetreden als zij nogmaals in strijd handelt met artikel 1.6 van het Bouwbesluit 2012.

2. Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Woningwet kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven met het oog op de nakoming van voor Nederland verbindende internationale verplichtingen die betrekking hebben op of samenhangen met onderwerpen waarin bij of krachtens deze wet is voorzien.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover van belang, zijn gedragingen in strijd met voorschriften als bedoeld in het eerste lid verboden.

Ingevolge artikel 120b, zoals dit luidde ten tijde van belang, is onze Minister belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het verbod, bedoeld in artikel 120, tweede lid, en beschikt hij daartoe over de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 1.6 van het Bouwbesluit 2012, zoals dat ten tijde van belang luidde, is het verboden een bouwproduct in de handel te brengen waarvoor de Europese Commissie een geharmoniseerde Europese norm heeft gepubliceerd en de co-existentieperiode met betrekking tot die norm is afgelopen, indien dat product niet is voorzien van de daarop betrekking hebbende CE-markering.

3. De 129 halve step barriers, althans de onderdelen daarvan, die Steel Constructions B.V. heeft geleverd voor de rijksweg A7 ter hoogte van de afrit Drachten, zijn in de handel gebracht zonder de vereiste CE-markering. De minister was derhalve bevoegd om handhavend op te treden tegen Steel Constructions B.V. wegens handelen in strijd met artikel 1.6 van het Bouwbesluit 2012.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten onrechte haar verzoek om handhavend optreden heeft afgewezen wegens concreet zicht op legalisering. De minister heeft volgens haar ten onrechte bij het besluit op bezwaar feiten en omstandigheden betrokken die zich hebben voorgedaan na het besluit van 12 maart 2013. Volgens [appellante] bestond ten tijde van het besluit van 12 maart 2013 geen concreet zicht op legalisering. Dat Steel Constructions B.V. voorafgaand aan dat besluit heeft bericht dat zij een CE-certificering voor de halve step barriers zal aanvragen, is voor concreet zicht op legalisering onvoldoende, aldus [appellante]. Tevens voert zij aan dat de minister zelf, in plaats van certificeringsbedrijf TÜV Rheinland Nederland B.V., had moeten beoordelen of er concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts betoogt zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een Factory Production Control, als bedoeld in NEN-EN 1317, en ISO-9001-certicifering ontbraken.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder andere de uitspraak van 5 augustus 2015 in zaak nr. 201406288/1/A4 (www.raadvanstate.nl), is voor de beantwoording van de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat in beginsel het moment van het besluit op bezwaar beslissend. In het door Steel Constructions B.V. aangevoerde wordt geen aanleiding gezien hiervan af te wijken. De rechtbank heeft dan ook terecht beoordeeld of de minister zich in het besluit op bezwaar van 17 juni 2013 terecht op het standpunt heeft gesteld dat er concreet zicht op legalisering bestaat.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat er concreet zicht op legalisering bestaat. Steel Constructions B.V. heeft voorafgaand aan dat besluit de door de minister gevraagde documenten overgelegd. Dit betreffen het CE-certificaat van conformiteit, als bedoeld in NEN-EN 1317-5:2007 + A2:2012 van TÜV Rheinland Nederland B.V. van 8 april 2013, en de prestatieverklaring van de fabrikant van 9 april 2013. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, heeft hij met de beoordeling van de overgelegde stukken zelf beoordeeld of concreet zicht op legalisering bestaat. Voor zover [appellante] betoogt dat het verzoek om handhaving niet kon worden afgewezen zolang de bouwproducten niet zijn voorzien van de daarop betrekking hebbende CE-markering, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar rechtsoverweging 4. dat de minister van handhavend optreden kan afzien in geval van concreet zicht op legalisering.

Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank niet miskend dat een Factory Production Control en de ISO-9001-certicifering ontbraken. De minister diende uitsluitend te beslissen op het handhavingsverzoek zoals dat voorlag. [appellante] heeft in haar handhavingsverzoek van 3 september 2012 de minister verzocht om handhavend op te treden tegen het op de markt brengen van 129 niet CE-gecertificeerde halve step barriers voor de rijksweg A7 ter hoogte van de afrit Drachten. Het handhavingsverzoek ziet niet op het ontbreken van een Factory Production Control en ISO-9001-certicifering. Voorts heeft [appellante] tijdens de hoorzitting in bezwaar haar bezwaren aangaande het ontbreken van een Factory Production Control ingetrokken, zoals uit het besluit op bezwaar volgt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015 in zaak nr. 201405756/1/A1.

De betogen falen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

531-761.