Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201504375/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Mutserdpolder" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504375/1/R4.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerenveen,

appellant,

en

de raad van de gemeente De Friese Meren, thans: De Fryske Marren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Mutserdpolder" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door drs. A. Overwijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] is eigenaar van de percelen, kadastraal bekend gemeente Lemmer, sectie A, nummers 5431, 9489, 10448 en 10636. Ter zitting is gebleken dat [appellant] in 1972 het perceel met daarop een schuur, te weten nummers 5431 en 9489, heeft gekocht. Dit perceel maakte voorheen deel uit van de agrarische gronden die toebehoorden aan de eigenaar van de nabijgelegen boerderij. Ter zitting heeft [appellant] voorts te kennen gegeven dat zijn beroep zich richt tegen de percelen, kadastraal bekend gemeente Lemmer, sectie A, nummers 5431, 9489 en 10448, waaraan blijkens de verbeelding de bestemming "Agrarisch" is toegekend. De percelen van [appellant] worden blijkens de verbeelding aan de oostzijde begrensd door het Stroomkanaal en aan de zuid- en westzijde bevindt zich het watersportcentrum Tacozijl.

3. [appellant] kan zich niet verenigen met de aan zijn percelen toegekende bestemming "Agrarisch" alsmede met het voor zijn percelen opgenomen persoonsgebonden overgangsrecht. Volgens [appellant] dient aan zijn percelen een recreatieve bestemming met bouwvlak te worden toegekend, zodat hij ter plaatse een of twee recreatiewoningen kan bouwen. Daartoe voert hij aan dat het gebruik van zijn percelen voor recreatieve doeleinden alsmede de ter plaatse aanwezige schuur onder het overgangsrecht van het vorige plan vallen en dat geen zicht op beëindiging van dit gebruik bestaat. Daarnaast voert [appellant] aan dat agrarisch gebruik van zijn percelen volstrekt onaannemelijk is gezien de omvang van zijn percelen en de naastgelegen woning en recreatiewoningen. Volgens hem staat het toegestane recreatieve gebruik het agrarische gebruik in de weg. Tevens voert hij aan dat het toekennen van een recreatieve bestemming aan zijn percelen aansluit op het recreatieve gebruik van de aangrenzende gronden. Voorts voert [appellant] aan dat hij uit het overleg op 24 oktober 2011 met de vertegenwoordigers van het college van burgermeester en wethouders van de toenmalige gemeente Lemsterland alsmede uit het overleg op 8 mei 2013 met de vertegenwoordigers van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Friese Meren, het vertrouwen mocht ontlenen dat aan zijn percelen bij de vaststelling van het plan een recreatieve bestemming zou worden toegekend dan wel dat het college van burgemeester en wethouders een positief advies daartoe aan de raad zou voorleggen. Volgens [appellant] wordt niet alleen hijzelf door het plan in zijn belangen aangetast maar worden ook de belangen van zijn familie geraakt nu ook zijn familie de percelen voor recreatieve doeleinden gebruikt.

3.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;

b. het behoud van de landschappelijke waarden, tot uitdrukking komend in de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen;

c. sloten en voorzieningen voor het keren en beheersen van water;

d. infrastructurele voorzieningen, zoals deze bestonden op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan;

e. voorzieningen ten behoeve van recreatief medegebruik zoals voet-, fiets- en/of ruiterpaden;

f. ter plaatse van de aanduiding waterkering, tevens voor een waterkering, waarbij geldt dat de functie waterkering primair is aan de overige functies;

met daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en voorzieningen, met dien verstande dat kuilvoerplaten, sleufsilo’s, mestopslagvoorzieningen en paardenbakken niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 21, lid 21.4, onder b, geldt, in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in lid 21.1 en lid 21.4, onder a, dat op de in de tabel genoemde locatie het in de tabel genoemde gebruik mag worden voortgezet door de in de tabel genoemde persoon.

3.2. De Afdeling stelt vast dat in het vorige plan "Mudsertpolder" aan de percelen van [appellant] de bestemming "Agrarisch gebied" was toegekend. Blijkens de verbeelding is in het onderhavige plan aan de percelen van [appellant] eveneens de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Over het betoog van [appellant] dat een recreatieve bestemming met bouwvlak aan zijn percelen dient te worden toegekend nu het recreatieve gebruik op grond van het overgangsrecht van het vorige plan legaal plaatsvindt, overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat dagrecreatief gebruik van de percelen met de nummers 5431 en 9489 onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het vorige plan vielen. De enkele omstandigheid dat gebruik onder de beschermende werking van het gebruiksovergangsrecht viel, betekent niet dat aanspraak bestaat op een bestemming bij recht van dat bestaande gebruik. Gebruik dat onder het overgangsrecht valt, doet in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen ontstaan dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd. Een daartoe strekkende bestemming is alleen mogelijk indien dat in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft onder verwijzing naar de brief van 27 maart 2014 van het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren, die ziet op de beslissing van het college om geen medewerking te verlenen aan de bouw van een recreatiewoning op de percelen van [appellant] naar aanleiding van een principeverzoek van [appellant] daartoe, uiteengezet dat het toekennen van een recreatieve bestemming met bouwvlak aan de percelen van [appellant] leidt tot een ongewenste intensivering van de gebruiks- en bouwmogelijkheden. De raad stelt dat de Mutserdpolder ruimtelijk in twee delen te splitsen is, waarbij het zuidelijke deel een recreatieve bestemming en het noordelijke deel voornamelijk een agrarische bestemming heeft. Volgens de raad is de begrenzing als een rechte lijn duidelijk zichtbaar in het gebied. De raad heeft toegelicht dat als op de percelen van [appellant] een recreatiewoning wordt toegestaan, deze begrenzing van de gebieden wordt doorbroken. Ten aanzien van de wel als zodanig in het noordelijke deel van de Mutserdpolder bestemde woningen, stelt de raad dat deze bestaande boerderij en visserswoningen een relatie met het gebied hadden. Nieuwbouw ten behoeve van een recreatieve bestemming hoort volgens de raad niet thuis in het noordelijke deel van de Mutserdpolder. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze tweedeling heeft kunnen maken en daaraan heeft kunnen vasthouden.

Voor zover [appellant] zich beroept op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat uit de overgelegde stukken volgt dat [appellant] sinds 2011 met de toenmalige gemeente Lemsterland en daarna met de gemeente De Friese Meren in gesprek is over het recreatief gebruiken van zijn percelen. [appellant] heeft geen verslagen overgelegd van de door hem bedoelde overleggen op 24 oktober 2011 en 8 mei 2013 met de vertegenwoordigers van het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Lemsterland onderscheidenlijk De Friese Meren. Uit de door [appellant] overgelegde brief van 3 juli 2012 van het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland volgt dat het college in zijn laatste gesprek heeft aangegeven dat het het recreatieve verblijf van de familie [appellant] wil betrekken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Mutserdpolder". Voorts volgt uit de door [appellant] overgelegde e-mail van 19 november 2013 van een ambtenaar van de gemeente De Friese Meren dat ambtelijk een negatief standpunt wordt ingenomen ten aanzien van een recreatieve invulling van de percelen van [appellant]. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat door het college van burgemeester en wethouders verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in een recreatieve bestemming voor de percelen van [appellant]. Daar komt bij dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet bij het college van burgemeester en wethouders berust, maar bij de raad. Gelet op het voorgaande heeft de raad het plan in zoverre derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Gelet op het belang van het behoud van het agrarische karakter van het noordelijke deel van de Mutserdpolder, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van het recreatieve gebruik van de percelen van [appellant] niet wenselijk is.

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan het opnieuw onder het algemeen overgangsrecht brengen van gebruik onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Niet aannemelijk is echter geworden dat het dagrecreatief gebruik van de percelen van [appellant] binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet hierop heeft de raad er terecht van afgezien dit gebruik opnieuw onder het algemene overgangsrecht te brengen.

De raad heeft ervoor gekozen in artikel 21, lid 21.4, onder b, van de planregels voor het dagrecreatief gebruik van de percelen van [appellant] persoonsgebonden overgangsrecht toe te kennen. Uit de Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Mutserdpolder volgt dat is bezien of voor het onderhavige geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van persoonsgebonden overgangsrecht. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij niet heeft gekozen voor een uitsterfregeling. De reden daarvoor is dat het door de raad beoogde doel, te weten het beëindigen van het dagrecreatief gebruik van de percelen teneinde de agrarische bestemming voor deze percelen gezien de ligging van deze percelen in het noordelijke deel van de Mutserdpolder weer ten volle te laten gelden, met het opnemen van een uitsterfregeling minder snel kan worden bereikt nu een uitsterfregeling niet persoonsgebonden is. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ervoor kunnen kiezen het dagrecreatief gebruik van de percelen van [appellant] onder het persoonsgebonden overgangsrecht te brengen in plaats van voor dit gebruik een uitsterfregeling in het plan op te nemen.

Voor zover [appellant] heeft gesteld dat zijn familie ook de percelen voor recreatieve doeleinden gebruikt en dat daartoe gebruik wordt gemaakt van een caravan die in de zomermaanden op de percelen wordt geplaatst, overweegt de Afdeling dat degene die zich beroept op het overgangsrecht van het vorige plan de feiten en omstandigheden waarop dat beroep berust aannemelijk dient te maken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn percelen op de peildatum van het vorige plan ook door familieleden voor recreatieve doeleinden werden gebruikt en dat daartoe gebruik werd gemaakt van een caravan, zodat niet aannemelijk is dat dit gebruik werd beschermd door het overgangsrecht van het vorige plan.

3.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat zijn percelen niet agrarisch kunnen worden benut, overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting volgt dat de bestaande planologische situatie het uitgangspunt van het plan is en dat de percelen als zodanig zijn bestemd. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de percelen van [appellant], die grenzen aan gronden met eveneens een agrarische bestemming, op zich geschikt zijn om gebruikt te worden ten behoeve van een agrarisch bedrijf. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de percelen van [appellant] overeenkomstig de bestemming "Agrarisch" kunnen worden gebruikt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de toegekende bestemming op grond van artikel 3, lid 3.1, van de planregels niet enkel de uitoefening van een agrarisch bedrijf toe staat, maar ook onder meer het behoud van de landschappelijke waarden.

3.5. Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

625.