Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201503573/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:2613, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2014 heeft het college besloten de Trichterstraat en Sint Rochusstraat op te nemen binnen de parkeerverbodzone door middel van het (ver)plaatsen van de RVV-borden E01zb en E01ze. Voorts heeft het college besloten het parkeerverbod op een gedeelte van de Papenweg te verplaatsen naar de overzijde van de weg middels het verplaatsen van de RVV-borden E1.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wegenverkeerswet 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503573/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend dan wel gevestigd, te Bunde, gemeente Meerssen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 maart 2015 in zaak nr. 14/2031 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Meerssen.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2014 heeft het college besloten de Trichterstraat en Sint Rochusstraat op te nemen binnen de parkeerverbodzone door middel van het (ver)plaatsen van de RVV-borden E01zb en E01ze. Voorts heeft het college besloten het parkeerverbod op een gedeelte van de Papenweg te verplaatsen naar de overzijde van de weg middels het verplaatsen van de RVV-borden E1.

Bij uitspraak van 17 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2015, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.M.J. Hellebrekers en C.M. Mos, en het college, vertegenwoordigd door E.H.G. Moonen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] en anderen wonen, dan wel zijn gevestigd, aan de Trichterstraat en de Papenweg. Op beide wegen geldt een maximale snelheid van 30 kilometer per uur.

Met het besluit van 29 april 2014 wordt het parkeren in de Trichterstraat en de Sint Rochusstraat aan beide zijden verboden behalve in de parkeervakken die aan de linkerzijde van deze wegen zullen worden aangebracht. Ook in de Papenstraat wordt het alleen mogelijk om te parkeren aan de linkerzijde, omdat het parkeerverbod aan deze zijde wordt verplaatst naar de rechterzijde.

2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid het besluit van 29 april 2014 (hierna: het verkeersbesluit) heeft kunnen nemen. Daartoe voeren zij aan dat als gevolg van dat besluit de vrachtwagens in hun straten slaloms moeten uitvoeren, waardoor de kans op ongelukken toeneemt. Volgens hen heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat het college bij het nemen van het verkeersbesluit geen rekening heeft gehouden met de meest kwetsbare weggebruikers, fietsers en voetgangers, onder wie scholieren van twee nabijgelegen scholen en bewoners van het nabijgelegen bejaardentehuis. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank evenmin heeft onderkend dat het college ten onrechte geen belang heeft gehecht aan hun voorstel om de doorstroming van het verkeer in de Trichterstraat en de Papenweg te verbeteren, waarin wél rekening is gehouden met deze weggebruikers door vrachtwagens een vrije en overzichtelijke rijbaan te bieden, meer aan de linkerzijde van deze wegen dan waarvan in het verkeersbesluit is uitgegaan.

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid, kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van de door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer:

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het werkverkeer vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, worden verkeersbesluiten genomen na overleg met de korpschef.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201310781/1/A1, komt aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen "veiligheid op de weg" en "bruikbaarheid van de weg". Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die aan de orde komen bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen teneinde te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

2.3. Het college heeft het verkeersbesluit genomen om ter plekke de doorstroming van het vrachtverkeer in verband met de bevoorrading van de supermarkt aan de Sint Rochusstraat te verbeteren en de veiligheid te vergroten.

Volgens het verkeersbesluit loopt de meest optimale aanrijdroute voor het bevoorradend vrachtverkeer naar de expeditieruimte van de supermarkt, komend vanaf de A2, via de Kastanjelaan, Papenweg en Trichterstraat. Bewoners aan deze aanvoerroute hebben aangegeven dat de doorgang voor het vrachtverkeer werd belemmerd door geparkeerde voertuigen op de rijbaan. Dit wordt volgens het verkeersbesluit veroorzaakt doordat het op het overgrote deel van de route is toegestaan aan beide zijden van de weg te parkeren. Met de voorgestelde maatregelen wordt de rechterzijde van de weg vrij begaanbaar voor vrachtverkeer, zodat ongewenste uitwijkmanoeuvres worden voorkomen. Voorts is geen extra bochtenwerk meer vereist bij het achteruit steken van het vrachtverkeer bij de expeditieruimte, aldus het verkeersbesluit. Verder is in het verkeersbesluit vermeld dat de rijcurves van de vrachtwagens, alsmede de rijbewegingen nauwkeurig zijn bezien.

2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat omstandigheid dat het college mogelijk ook andere verkeersmaatregelen had kunnen nemen teneinde de doorstroming van het vrachtverkeer te verbeteren, niet maakt dat het college niet in redelijkheid het verkeersbesluit heeft kunnen nemen. Het college heeft in dit verband in het verweerschrift in hoger beroep toegelicht dat de gehanteerde rijcurven voortvloeien uit de aanbevelingen van de Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen 2012, die afkomstig zijn van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek. Voor zover niet wordt voldaan aan "een landelijke norm van 1,5 m", zoals [appellant] en anderen ter zitting hebben gesteld, wordt overwogen dat zij die stelling niet nader hebben geconcretiseerd.

Dat het verkeersbesluit volgens [appellant] en anderen leidt tot onveilige verkeersituaties hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de korpschef van de politie op 6 juli 2012 positief heeft geadviseerd over het voornemen van het college om het verkeersbesluit te nemen. Voorts wordt het standpunt van [appellant] en anderen, dat niet is onderkend dat in het verkeersbesluit geen rekening is gehouden met fietsers en voetgangers, niet gevolgd. In het verkeersbesluit is vermeld dat de genomen maatregelen geen gevolgen hebben voor de breedte van de trottoirs ter plekke, rekening is gehouden met fietsers in beide richtingen, de gekozen rijroute meebrengt dat fietsers met het verkeer meerijden en dat een beter zicht op tegemoetkomend langzaam verkeer ontstaat.

De conclusie is derhalve dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college het verkeersbesluit in redelijkheid heeft kunnen nemen. Dat, als gesteld ter zitting, de verkeersmaatregelen niet overeenkomstig het verkeersbesluit zijn uitgevoerd, kan, wat daarvan zij, [appellant] en anderen niet baten. De wijze waarop uitvoering is gegeven aan het verkeersbesluit staat in deze procedure niet ter beoordeling.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

414-757.