Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201503430/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd ten einde het in werking hebben van een inrichting op het perceel Hoofdstraat 51 te Vierhuizen te beëindigen en beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503430/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant B]), wonend te Vierhuizen, gemeente De Marne,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 maart 2015 in zaak nr. 14/670 in het geding tussen:

[appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Marne.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd ten einde het in werking hebben van een inrichting op het perceel Hoofdstraat 51 te Vierhuizen te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college nogmaals het door [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben L.J. Harens en

S. Harens-Schreuder (hierna tezamen en in enkelvoud: Harens) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting samen met zaak nr. 201503433/1/A1 behandeld op 7 oktober 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door I.J.R. Sansaar, en het college, vertegenwoordigd door

W.K. de Wind, werkzaam bij het college, zijn verschenen. Voorts is Harens, bijgestaan door mr. D. Schuldink, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Harens heeft een verzoek om handhaving ingediend bij het college omdat [appellant B], onder andere, zaagactiviteiten uitvoert op zijn perceel Hoofdstraat 51 (hierna: het perceel). Harens exploiteert op het naastgelegen perceel Hoofdstraat 49 het campingbedrijf "Lauwerszee". Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd in verband met geluidsoverlast veroorzaakt door zaagactiviteiten en daarbij behorende activiteiten. Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de rechtbank van 16 september 2013 in zaak nr. AWB 13/432 nogmaals op het bezwaar van [appellant B] gericht tegen het besluit van 20 september 2012 beslist en heeft de volgende gewijzigde last opgelegd: "Het aanhouden van een houtvoorraad van maximaal 60 m3 op het perceel Hoofdstraat 51 te Vierhuizen (kadastraal bekend gemeente Ulrum, sectie K, nummer 762), ten behoeve van opslag en/of verwerking als haardhout ten behoeve van de verwarming van het pand Hoofdstraat 51 in verband met bewoning. Het aangegeven maximum mag niet worden overschreden. De verwerking van hout tot haardhout in verband met de warmtebehoefte in relatie tot het wonen mag niet plaatsvinden in de periode april tot en met september van het kalenderjaar. De verwerking binnen het aangegeven maximum is voor opslag en gebruik ter plaatse. De te gebruiken apparatuur mag uitsluitend ingezet worden bij verwerking tot haardhout ten behoeve van de warmtebehoefte in verband met wonen. Inzet van apparatuur voor andere activiteiten is niet toegestaan. Verwerking van hout welke nadien wordt afgevoerd is niet toegestaan. Bij elke geconstateerde overtreding verbeuren uw cliënten een dwangsom van € 1.000,00. Boven de € 10.000,00 worden geen dwangsommen meer verbeurd."

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bij besluit van 22 juni 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Kleine Kernen" rust op het perceel de bestemming "Dagrecreatie". Ingevolge het voor de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan op het perceel rustende bestemmingsplan "Buitengebied Ulrum" rustte op het perceel de bestemming "Bedrijven". Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik van het pand op het perceel als woning onder de beschermende werking van het in het bestemmingsplan "Kleine Kernen" opgenomen overgangsrecht valt.

3. [appellant B] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet van de totstandkoming van het bestemmingsplan "Kleine Kernen" kennis heeft kunnen nemen. Hij voert hiertoe aan dat de publicatie van het bestemmingsplan hem nimmer heeft bereikt en dat hij niet op andere geschikte wijze, zoals een bewonersbrief, op de hoogte is gesteld over de door de raad voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de onderhavige procedure niet aan de orde is of het bestemmingsplan "Kleine Kernen" op juiste wijze is voorbereid en is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat de door [appellant B] aangevoerde grond gericht tegen het bestemmingsplan niet aan de orde kan komen. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de procedure waarbij het bestemmingsplan tot stand is gekomen is niet aan het dictum ten grondslag gelegd en behoeft dan ook geen bespreking in hoger beroep.

4. Vast staat dat het door [appellant B] gemaakte gebruik van het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. [appellant B] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij besluit van 5 december 2013 gewijzigde last onvoldoende duidelijk is, nu niet duidelijk is of hij zijn apparatuur, onder andere een lintzaagmachine, mag gebruiken voor andere doeleinden dan het verzagen van hout voor verwarming van zijn woning, zoals het uitvoeren van onderhoud en reparatiewerkzaamheden.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2014 in zaak nr. 201311305/1/A3) dient een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd te zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden ten einde toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door het college bij besluit van 5 december 2013 gewijzigde last voldoende duidelijk en concreet is, nu daaruit kan worden afgeleid dat [appellant B] de te gebruiken apparatuur uitsluitend mag inzetten bij verwerking van hout tot haardhout ten behoeve van de warmtebehoefte in verband met wonen. Met de te gebruiken apparatuur wordt, mede gelet op de uitspraak van de rechtbank van 16 september 2013, bedoeld de professionele zware apparatuur die wordt gebruikt voor het verwerken van hout tot haardhout. Daarnaast heeft het college in de last opgenomen dat de apparatuur niet mag worden gebruikt voor andere activiteiten, waarmee duidelijk is dat de voormelde zware apparatuur alleen voor de verwerking van hout voor verwarming van het pand mag worden gebruikt en derhalve niet mag worden gebruikt voor onderhoudswerkzaamheden of andere activiteiten op het perceel. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de bij besluit van 5 december 2013 opgelegde last niet ziet op het gebruik van minder zware apparatuur voor andere activiteiten op het perceel, zoals een zitgrasmaaier en snoeiapparatuur of apparatuur voor andere doeleinden, zoals onderhoud, reparatie en tuinonderhoud.

Het betoog faalt.

6. Daarnaast betoogt [appellant B] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid een last onder dwangsom heeft kunnen opleggen, nu de gevolgen van de opgelegde last disproportioneel zijn. Hij voert hiertoe aan dat hij de apparatuur niet voor andere werkzaamheden, zoals onderhoud aan zijn woning, mag gebruiken. Daarnaast is de lintzaagmachine mobiel en kan een verplaatsing van deze machine leiden tot minder geluidsoverlast en is de verwerking van hout gedurende de toegestane periode lastig.

6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat handhavend optreden niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college daarbij de ruimtelijke uitstraling van de houtzaag- en opslagactiviteiten en de ligging van het perceel van [appellant B] naast een camping van belang heeft kunnen achten bij de beoordeling van de vraag wanneer het is toegestaan de voormelde zware apparatuur te gebruiken voor de verwerking van hout tot haardhout. Nu de campingactiviteiten met name plaats vinden in de periode april tot en met september heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in die periode de verwerking van hout tot haardhout met zware apparatuur heeft mogen beperken. Dat de voormelde periode onvoldoende zou zijn om de houtvoorraad voor verwarming van de woning voldoende op peil te houden heeft [appellant B] niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat slechte weersomstandigheden de verwerking van hout kunnen bemoeilijken is daartoe onvoldoende.

Voorts overweegt de rechtbank terecht dat de opgelegde last onder dwangsom, zoals ook hiervoor is overwogen onder 5.1, slechts ziet op de zware apparatuur die wordt gebruikt voor het verwerken van hout tot haardhout en is daarmee niet beoogd onderhoudswerkzaamheden of andere reparatiewerkzaamheden op het perceel in zijn geheel te verbieden, tenzij daarbij gebruik wordt gemaakt van de voormelde zware apparatuur. Dat enkele van de door [appellant B] gebruikte apparatuur mobiel is en daarmee de overlast zou kunnen worden beperkt betekent nog niet dat het college het gebruik van deze apparatuur niet heeft kunnen verbieden in de voormelde periode gelet op de daarmee gepaard gaande overlast voor de omgeving van het perceel. Bij het voorgaande wordt in aanmerking genomen dat op het perceel ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan een dagrecreatieve functie rust en dat het gebruik dat [appellant B] van het perceel maakt, te weten, een woonfunctie, wordt beschermd door het overgangsrecht. Derhalve heeft het college de activiteiten die niet behoren bij een woonfunctie of verder strekken dan de onder het overgangsrecht vallende woonfunctie, mogen beperken.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, nu daarvoor geen grond aanwezig is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

700.