Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3827

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201503433/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2014 heeft het college besloten tot invordering van een door [appellant] verbeurde dwangsom ter hoogte van € 1.000,00 over te gaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 5:32a
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2016/9 met annotatie van Mr. O. Schuwer
JOM 2016/1335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503433/1/A1.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Vierhuizen, gemeente De Marne,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 maart 2015 in zaak nr. 14/4723 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Marne.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2014 heeft het college besloten tot invordering van een door [appellant] verbeurde dwangsom ter hoogte van € 1.000,00 over te gaan.

Bij uitspraak van 16 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben L.J. [partij] en S. [partij]-Schreuder (hierna: tezamen en in enkelvoud: [partij]), een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting samen met zaak nr. 201503430/1/A1 behandeld op 7 oktober 2015, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door W.K. de Wind, werkzaam bij het college, zijn verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door mr. D. Schuldink, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. [partij] heeft een verzoek om handhaving ingediend bij het college omdat [appellant], onder andere, zaagactiviteiten uitvoert op zijn perceel [locatie 1] (hierna: het perceel). [partij] exploiteert op het naastgelegen perceel [locatie 2] het campingbedrijf "Lauwerszee". Bij besluit van 20 september 2012 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd in verband met geluidsoverlast veroorzaakt door zaagactiviteiten en daarbij behorende activiteiten. Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de rechtbank van 16 september 2013 in zaak nr. AWB 13/432 nogmaals op het bezwaar van [appellant] gericht tegen het besluit van 20 september 2012 beslist en heeft de volgende gewijzigde last opgelegd: "Het aanhouden van een houtvoorraad van maximaal 60 m3 op het perceel [locatie 1] te Vierhuizen (kadastraal bekend gemeente Ulrum, sectie [.], nummer […]), ten behoeve van opslag en/of verwerking als haardhout ten behoeve van de verwarming van het pand [locatie 1] in verband met bewoning. Het aangegeven maximum mag niet worden overschreden. De verwerking van hout tot haardhout in verband met de warmtebehoefte in relatie tot het wonen mag niet plaatsvinden in de periode april tot en met september van het kalenderjaar. De verwerking binnen het aangegeven maximum is voor opslag en gebruik ter plaatse. De te gebruiken apparatuur mag uitsluitend ingezet worden bij verwerking tot haardhout ten behoeve van de warmtebehoefte in verband met wonen. Inzet van apparatuur voor andere activiteiten is niet toegestaan. Verwerking van hout welke nadien wordt afgevoerd is niet toegestaan. Bij elke geconstateerde overtreding verbeuren uw cliënten een dwangsom van € 1.000,00. Boven de € 10.000,00 worden geen dwangsommen meer verbeurd." Aan het besluit tot invordering van 26 september 2014 heeft het college ten grondslag gelegd dat een toezichthouder, blijkens het verslag van de controle van 22 juli 2014, heeft geconstateerd dat op het perceel een voorraad van 40 m3 gekloofd haardhout werd opgeslagen en dat daarnaast tussen de 40 m3 en 60 m3 aan boomstammen op het perceel zijn opgeslagen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze boomstammen kunnen worden verwerkt tot haardhout en dat de gehele opslag van boomstammen dient te worden gezien als houtopslag ten behoeve van de opslag en/of verwerking als haardhout ten behoeve van de verwarming van het pand in verband met bewoning.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij besluit van 5 december 2013 opgelegde last onder dwangsom niet is overtreden en hij derhalve geen dwangsom heeft verbeurd. Hij voert hiertoe aan dat de op het perceel opgeslagen boomstammen niet zijn bedoeld voor verwerking tot haardhout, maar zullen worden gebruikt bij bouwwerkzaamheden. Volgens [appellant] is de houtsoort van de op het perceel aanwezige boomstammen te duur om als haardhout te worden verwerkt en maakt de omstandigheid dat geen concrete bouwplannen bekend zijn bij het college nog niet dat hij niet voornemens zou zijn de boomstammen te gebruiken bij toekomstige bouwwerkzaamheden. Verder voert [appellant] aan dat het college slechts een schatting heeft gemaakt van het op het perceel opgeslagen hout voor de verwarming van het pand.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2015 in zaak nr. 201401555/1/A4, dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de enkele omstandigheid dat tussen de 40 m3 en 60 m3 aan boomstammen is opgeslagen op het perceel niet met zich brengt dat niet tijdig is voldaan aan de bij besluit van 5 december 2013 opgelegde last onder dwangsom. In de last onder dwangsom is gelast dat de maximale houtvoorraad ten behoeve van opslag en/of verwerking als haardhout ten behoeve van de verwarming van het pand 60 m3 mag bedragen en daarnaast is verwerking van hout welke nadien wordt afgevoerd niet toegestaan. De enkele constatering dat boomstammen aanwezig zijn op het perceel maakt derhalve nog niet dat de last is overtreden, nu gelet op de opgelegde last onder dwangsom tevens van belang is voor welk doel de boomstammen zijn opgeslagen. Dat niet bekend is dat [appellant] concrete bouwplannen heeft voor het perceel maakt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, nog niet dat de boomstammen opgeslagen zijn voor verwerking tot haardhout. Gelet hierop heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd dat [appellant] niet tijdig heeft voldaan aan de last en is het college derhalve ten onrechte tot de conclusie gekomen dat [appellant] een dwangsom heeft verbeurd.

Het betoog slaagt.

3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van invordering had dienen af te zien behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 september 2014 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. In het hogerberoepschrift verzoekt [appellant] gelet op artikel 8:73 van de Awb om het college te veroordelen tot schadevergoeding. De Afdeling heeft op 29 juni 2015 [appellant] gewezen op de artikelen 8:88 tot en met 8:95 van de Awb. Naar aanleiding van deze brief heeft [appellant] niet gereageerd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond over te gaan tot een veroordeling van het college op grond van artikel 8:88 van de Awb, nu [appellant] niet heeft voldaan aan de voorwaarden opgenomen in artikel 8:92, eerste lid, van de Awb.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 maart 2015 in zaak nr. 14/4723;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Marne van 26 september 2014, kenmerk C-2011-0612-11;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Marne tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.029,40 (zegge: tweeduizend negenentwintig euro en veertig cent), waarvan € 1.960,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van De Marne aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Vermeulen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

700.