Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3820

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
16-12-2015
Zaaknummer
201410618/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Van Esveldstraat, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat e.o." vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2015-0279
JOM 2016/1357
Module Ruimtelijke ordening 2016/7437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410618/2/R6.

Datum uitspraak: 16 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Utrecht,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Van Esveldstraat, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2015, waar [appellanten] en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. van Gelder, en drs. K. Ulrich, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MBB Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [directeur], als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 17 juni 2015, in zaak nr. 201410618/1/R6, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 30 oktober 2014 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 3 september 2015 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Van Esveldstraat, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat e.o." gewijzigd vastgesteld. Hiermee is het besluit van 30 oktober 2014 vervangen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellanten] hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1. De Afdeling heeft in de overwegingen 7.1, 9.5 en 9.6 van de tussenuitspraak overwogen dat

- in de planregels ten onrechte niet is vastgelegd dat in het voorziene appartementengebouw maximaal 46 appartementen mogen worden gerealiseerd;

- niet is gewaarborgd dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen zal worden getoetst aan de gemeentelijke nota "Nota stallen en Parkeren 2013" (hierna: parkeernota) en de bijlage "Nota parkeernormen Fiets en Auto" (hierna: de bijlage parkeernormen);

- de parkeerbehoefte van het appartementengebouw niet inzichtelijk is gemaakt en de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat is voorzien in voldoende mogelijkheden om het benodigde aantal parkeerplaatsen aan te leggen en het plan in zoverre uitvoerbaar is.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellanten] gegrond. Het besluit van 30 oktober 2014 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het besluit van 3 september 2015

3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 3 september 2015 het bestemmingsplan "Van Esveldstraat, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat e.o." gewijzigd vastgesteld. Daarbij heeft hij artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels gewijzigd zodat binnen de bestemming "Wonen" maximaal 46 appartementen zijn toegestaan. Voorts heeft de raad artikel 8 van de planregels aangevuld met een verwijzing naar de gemeentelijke parkeernota en de bijlage parkeernormen. De bijlage parkeernormen is tevens als bijlage bij de planregels opgenomen. De raad heeft verder paragraaf 4.2 over parkeren in de plantoelichting aangepast. Deze bevat nu een verwijzing naar een nieuwe bijlage 8 bij de plantoelichting waarin de parkeerbehoefte van het appartementengebouw en hoe daarin wordt voorzien wordt toegelicht.

4. Het besluit van 3 september 2015 is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding. De zienswijze van [appellanten] op het besluit van 3 september 2015 heeft alleen betrekking op het aspect parkeren.

De beroepsgronden

5. [appellanten] betogen dat de realisering van 24 parkeerplaatsen onvoldoende zal zijn om in de parkeerbehoefte van het appartementengebouw te voorzien. Daartoe voeren zij aan dat de normen in de bijlage parkeernormen voor het plangebied te laag zijn.

5.1. In bijlage 8 bij de plantoelichting staat dat de parkeernormen uit de bijlage parkeernormen zijn gebruikt om de parkeerbehoefte te berekenen. In de tabel op p. 2 van bijlage 8 staan de gehanteerde parkeernormen voor het gebied B1 (stedelijk gebied met betaald parkeren) waarin het plangebied is gelegen. De normen variëren van 0,43 tot 1,11 parkeerplaats per woning, waarbij het vloeroppervlak van de afzonderlijke appartementen bepalend is. Binnen het bestemmingsplan zijn diverse afmetingen van appartementen mogelijk. Het aantal appartementen is gemaximeerd op 46. Op basis van het uiteindelijke bouwprogramma, dat wil zeggen de uiteindelijke mix tussen grote en kleine appartementen, wordt de parkeereis bepaald. Er is uitgegaan van 6 bouwlagen met ieder 520 m² bruto vloeroppervlak voor woonruimte. In totaal is circa 3100 m² ruimte voor de appartementen beschikbaar. Er zijn 8 voorbeeldscenario’s uitgewerkt waarbij verschillende afmetingen van de appartementen als uitgangspunt zijn genomen en aan de hand van de bijbehorende parkeernorm de parkeerbehoefte is berekend. De uitkomst is dat de parkeerbehoefte van het appartementengebouw niet meer bedraagt dan 24 parkeerplaatsen, aldus bijlage 8 bij de plantoelichting.

5.2. In de bijlage parkeernormen staat dat de achtergrond van de lage parkeernormen in de gebieden in en rondom het centrum, waarin het plangebied is gelegen, is dat het autobezit in deze gebieden veel lager is dan het landelijk gemiddelde, dat de gebieden goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer en fiets en betaald parkeren voorkomt dat eventuele nadelige gevolgen worden afgewenteld op de omgeving. Het verlagen van de minimum parkeernorm biedt een stimulans voor een aantrekkelijke en bereikbare stad en voor binnenstedelijke ontwikkelingen, aldus de bijlage parkeernormen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het gemeentelijke parkeerbeleid onredelijk is. Voorts biedt hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van dit beleid had moeten afwijken. Dat het plangebied is gelegen nabij een uitvalsweg naar de snelweg betekent niet dat de raad de doelen van het parkeerbeleid hier niet kan nastreven. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de berekening van de parkeerbehoefte niet mocht aansluiten bij de parkeernormen in de bijlage parkeernormen.

De raad heeft voor 8 scenario’s inzichtelijk gemaakt wat de parkeerbehoefte bedraagt waarbij verschillende afmetingen van de voorziene appartementen als uitgangspunt zijn genomen en deze zijn afgezet tegen de parkeernormen. Uit deze scenario’s blijkt dat bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden de parkeerbehoefte van het appartementengebouw niet meer dan 24 parkeerplaatsen bedraagt waarvan ongeveer 6 tot 10 plaatsen voor bezoekersplaatsen die deels op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. [appellanten] hebben niet bestreden dat deze scenario’s reële invullingen van het appartementengebouw betreffen. Gelet hierop heeft de raad deugdelijk gemotiveerd dat de parkeerbehoefte van het appartementengebouw 24 plaatsen betreft. Het betoog faalt.

6. [appellanten] betogen dat binnen het plangebied onvoldoende ruimte bestaat om in de benodigde parkeerplaatsen te voorzien. Daartoe voeren zij aan dat in een te realiseren parkeergarage binnen het bouwvlak onvoldoende ruimte zal bestaan voor 24 parkeerplaatsen omdat rekening dient te worden gehouden met ruimte voor bergingen, een trappenhuis en lift, extra brede paden en uitrijvoorzieningen. [appellanten] voeren verder aan dat ook buiten het bouwvlak van het appartementengebouw te weinig ruimte is voor parkeervoorzieningen. Voorts betogen zij dat in de openbare ruimte onvoldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Daartoe voeren zij aan dat een parkeermeting uit 2014, waaruit een restcapaciteit aan parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied zou blijken, achterhaald is en dat de parkeerdruk in de omgeving van het plangebied hoog is.

6.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder c, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor gebouwde parkeervoorzieningen.

Ingevolge lid 6.2.1, onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

6.2. In bijlage 8 bij de plantoelichting staat dat de parkeerplaatsen voor de bewoners van het appartementengebouw in een halfverdiepte parkeergarage komen. Bezoekers kunnen deels op straat parkeren.

In bijlage 8 bij de plantoelichting staat verder dat de huidige parkeerdruk in de Van Esveldstraat laag is en bij de laatste parkeerdrukmeting in november 2014 tussen de 33% en 61% en gemiddeld op circa 50% lag. Dit houdt in dat in de bestaande situatie minimaal 13 en gemiddeld 18 parkeerplaatsen in deze straat onbenut zijn. De hoogste piek ligt in de nacht (dinsdagnacht 1.00 tot 5.00 uur) en dan zijn er 13 vrije parkeerplaatsen, dat is geen gebruikelijk moment voor bezoekers. Op de momenten dat bezoek gebruikelijker is, zijn er dus meer dan 13 plekken vrij. Volgens de parkeerdrukmeting waren op de andere tijden 17 tot 22 parkeerplaatsen vrij, aldus bijlage 8 bij de plantoelichting.

6.3. Het plan voorziet in een parkeergarage binnen het bouwvlak. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ongeveer 990 m². Aan een deel van het bouwvlak met een oppervlakte van 100 m² is de aanduiding "nutsvoorziening" toegekend, als gevolg waarvan ter plaatse van de aanduiding tevens gebouwde nutsvoorzieningen zijn toegestaan. Gelet op de in artikel 1 onder 38 gegeven begripsomschrijving zijn onder nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut begrepen, zoals voorzieningen ten behoeve van en apparatuur voor telecommunicatie. Niet in geschil is dat de bestaande telefooncentrale van KPN hiermee planologisch is ingepast. Indien rekening wordt gehouden met de invulling van de aanduiding ter grootte van 100 m², resteert voor de door de raad beoogde halfverdiepte parkeergarage derhalve een oppervlakte van 890 m². [appellanten] hebben bestreden dat binnen die oppervlakte het benodigde aantal parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd nu volgens hen een parkeergarage met een oppervlakte van 940 m² nodig is. Daarbij zijn zij er echter ten onrechte vanuit gegaan dat de 24 benodigde parkeerplaatsen alle in de parkeergarage moeten worden gerealiseerd. Zoals volgt uit tabel 2 in bijlage 8 zijn bij de 24 parkeerplaatsen ook de bezoekersplaatsen inbegrepen die op grond van de parkeernota niet op eigen terrein hoeven te worden gerealiseerd. Ook overigens zijn niet alle door [appellanten] genoemde voorzieningen noodzakelijk en kunnen deze ook met een beperktere omvang worden gerealiseerd. Verder zijn ook buiten het bouwvlak binnen de bestemming "Wonen" parkeervoorzieningen mogelijk. Daartoe is ongeveer 480 m² beschikbaar. Anders dan [appellanten] betogen, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat binnen het plangebied voldoende ruimte bestaat om in de parkeerbehoefte van de bewoners van het appartementengebouw te voorzien. Het betoog faalt.

6.4. De raad heeft verder beoogd het bezoekersparkeren deels in de openbare ruimte op te vangen. Uit de parkeermeting van november 2014 blijkt dat de restcapaciteit in de Van Esveldstraat doorgaans 17 tot 22 plaatsen bedraagt. [appellanten] hebben gesteld dat na de parkeermeting in 2014 in de Van Esveldstraat een parkeerstrook van 35 m voor vrachtwagens is gerealiseerd waarmee geen rekening is gehouden. In die omstandigheid heeft de raad echter terecht geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat niet in de parkeerbehoefte van bezoekers van het appartementengebouw kan worden voorzien. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat ruim voldoende restcapaciteit bestaat om de parkeerbehoefte van ongeveer 7 tot 10 plaatsen voor bezoekers op te vangen. Ook heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat het bezoekersparkeren deels op eigen terrein wordt opgevangen. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in de openbare ruimte onvoldoende ruimte aanwezig is om in de parkeerbehoefte van de bezoekers van het appartementengebouw te voorzien. Het betoog faalt.

7. [appellanten] betogen verder dat niet is gewaarborgd dat de benodigde parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Volgens [appellanten] kan in artikel 8 van de planregels niet worden volstaan met de enkele verwijzing naar de parkeernota en de bijlage parkeernormen. Verder verplicht het plan niet tot realisering van de beoogde parkeergarage onder de appartementen. Ook is niet verzekerd dat de nieuwe bewoners gebruik zullen maken van een parkeergarage nu het plan daartoe niet verplicht.

7.1. Ingevolge artikel 8 van de planregels mogen op grond van het bepaalde in de planregels de voor de verschillende bestemmingen aangewezen gronden daarvoor slechts worden bebouwd en gebruikt onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen wordt gerealiseerd of in stand gehouden. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan "BIJLAGE 1: Nota Parkeernormen Fiets en Auto maart 2013", die behoort bij de Nota Stallen en Parkeren van 2013 en is opgenomen in de bijlagen bij de regels van dit bestemmingsplan.

7.2. Zoals volgt uit de uitspraak van 9 september 2015 in zaak nr. 201410585/1/R6 kan de juridische waarborg dat de benodigde parkeergelegenheid wordt gerealiseerd met gebruikmaking van artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), in het bestemmingsplan worden geregeld door in een bestemmingsplanregel neer te leggen dat bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, de regel geldt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen wordt gerealiseerd, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in een gemeentelijke parkeernota. Daarbij kan ook worden geregeld dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.

In het voorliggende geval heeft de raad met gebruikmaking van artikel 3.1.2, tweede lid, onder a, van het Bro in artikel 8 van de planregels geregeld dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen voor het appartementengebouw zal worden getoetst aan de bijlage parkeernormen bij de parkeernota. De bijlage parkeernormen maakt deel uit van de planregels. Anders dan [appellanten] hebben betoogd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is gewaarborgd dat het benodigde aantal parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Het betoog faalt.

7.3. De raad heeft voorts in redelijkheid geen verplichting hoeven opnemen tot het realiseren van een parkeergarage. Op grond van de parkeernota dienen de parkeerplaatsen voor de bewoners op eigen terrein te worden gerealiseerd. Het plan voorziet in de mogelijkheid van gebouwde parkeervoorzieningen binnen de bestemming "Wonen" waarmee een parkeergarage maar ook bovengrondse parkeerplaatsen mogelijk zijn. Bij een volledige benutting van het bouwvlak voor het appartementengebouw, gelet op de beperktere ruimte buiten het bouwvlak binnen de bestemming "Wonen", is het aannemelijk dat een parkeergarage zal worden gebouwd om op eigen terrein in de parkeerbehoefte van de bewoners te voorzien. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bewoners van het appartementengebouw geen gebruik zullen maken van de parkeervoorzieningen op eigen terrein maar in de Van Esveldstraat zullen parkeren, nu ter plaatse een regime voor betaald parkeren geldt. Het betoog faalt.

Slot

8. Het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 3 september 2015 is ongegrond.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 30 oktober 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Van Esveldstraat, Zeeheldenbuurt, Hengeveldstraat e.o.";

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 3 september 2015 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Utrecht tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 26,44 (zegge: zesentwintig euro en vierenveertig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Utrecht aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, griffier.

w.g. Helder w.g. Schaaf

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015

523-821.