Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:382

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201405499/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:3384, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2013 heeft het college geweigerd [appellante] omgevingsvergunning te verlenen voor de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/788
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405499/1/A1.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Epe,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 mei 2014 in zaak nr. 14/617 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 heeft het college geweigerd [appellante] omgevingsvergunning te verlenen voor de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2015, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J. Bovendorp en H.C. Eldering, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Vaststaat dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning in strijd is met de ingevolge het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Schaveren 2002" op het perceel rustende bestemming "Recreatiewoningen".

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip van het van kracht worden daarvan, worden gehandhaafd.

Uit dit artikel volgt dat de beschermende werking van het overgangsrecht van dit bestemmingsplan zich niet beperkt tot bestaand gebruik dat in overeenstemming was met de bestemmingen van het voorgaande bestemmingsplan "Schaveren".

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel gebruiksovergangsrechtelijke bescherming geniet. Anders dan het college stelt, is het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning niet bij besluit van 3 februari 1988 gewraakt. Volgens [appellante] is bij dat besluit slechts de bij besluit van 3 juni 1987 opgelegde aanschrijving tot het beëindigen van de permanente bewoning van de recreatiewoning ingetrokken. Bovendien is in 1981 reeds aan haar echtgenoot een objectgebonden gedoogbeschikking verleend, aldus [appellante].

2.1. Voor het oordeel dat het besluit van 3 februari 1988 slechts de intrekking van de bij besluit van 3 juni 1987 opgelegde aanschrijving tot het beëindigen van de permanente bewoning van de recreatiewoning betreft, bestaat, anders dan [appellante] betoogt, geen grond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de echtgenoot van [appellante], [echtgenoot], bij besluit van 3 februari 1988 een persoonsgebonden gedoogbeschikking heeft verleend. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2004 in zaak nr. 200305883/1 wordt overwogen dat in deze persoonsgebonden gedoogbeschikking ondubbelzinnig besloten ligt dat de permanente bewoning van de recreatiewoning in strijd is met het destijds geldende bestemmingsplan "Schaveren" en dat het college zich bij die bewoning niet zonder meer wenst neer te leggen, behoudens het gebruik door [echtgenoot] zelf. Ter zitting van de rechtbank heeft het college bevestigd dat de persoonsgebonden gedoogbeschikking ook geldt voor [appellante]. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet dit besluit derhalve worden beschouwd als het wraken van het met het bestemmingsplan "Schaveren" strijdige gebruik. Deze wraking staat eraan in de weg dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning anders dan door [echtgenoot] en [appellante] wordt beschermd door het overgangsrecht, zoals neergelegd in artikel 18, tweede lid, van de voorschriften van bestemmingsplan "Schaveren 2002". In dit verband wordt nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2007 in zaak nr. 200510203/1.

Voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college reeds in 1981 aan [echtgenoot] een objectgebonden gedoogbeschikking heeft verleend, bestaat geen grond. Anders dan [appellante] betoogt, kan uit het besluit van 19 mei 1981, wat hier verder van zij, niet worden afgeleid dat sprake is van een objectgebonden gedoogbeschikking. Uit de bewoordingen van de laatste alinea van de eerste bladzijde van dit besluit, gelezen in verbinding met de voorlaatste alinea van dezelfde bladzijde, volgt dat het college [echtgenoot] een persoonsgebonden gedoogbeschikking heeft willen verlenen. Dat het college hem bij besluit van 3 februari 1988 wederom een persoonsgebonden gedoogbeschikking heeft verleend, is, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, vanwege het feit dat hij en zijn vrouw in de periode tussen 9 maart 1982 en 6 december 1984 niet in de gemeentelijke basisadministratie stonden ingeschreven op het adres [adres], waarbij in het midden kan blijven of zij in die periode de recreatiewoning al dan niet permanent hebben bewoond.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond.

4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

531.