Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3797

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201507901/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:12342, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 30b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507901/1/V2.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 oktober 2015 in zaak nr. 15/16979 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 oktober 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.N. van der Voet, advocaat te Delft, hoger beroepen ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben verweerschriften ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen de vreemdeling in zijn hogerberoepschrift aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2. De staatssecretaris betoogt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt dat de vreemdeling zich waarschijnlijk te kwader trouw heeft ontdaan van zijn Iraakse paspoort ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe voert hij aan dat voor de beoordeling of waarschijnlijk van kwade trouw sprake is van belang is de verklaringen en het gedrag van de vreemdeling in onderlinge samenhang te bezien. Nu het samenstel van de verklaringen en het gedrag van de vreemdeling de conclusie rechtvaardigt dat hij waarschijnlijk te kwader trouw heeft gehandeld, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij de aanvraag van de vreemdeling niet als kennelijk

ongegrond kon afwijzen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond, indien de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.

Volgens paragraaf C2/7.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, betekent te kwader trouw dat de vreemdeling bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen.

2.2. De staatssecretaris betoogt terecht dat bij de beoordeling of een vreemdeling waarschijnlijk te kwader trouw een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan de verklaringen en het gedrag van die vreemdeling in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Uit het samenstel van zijn verklaringen en zijn gedrag kan immers blijken van een intentie van de vreemdeling die erop wijst dat hij waarschijnlijk bewust en opzettelijk informatie heeft achtergehouden of vernietigd, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen.

2.3. Aan zijn standpunt dat de vreemdeling zich waarschijnlijk te kwader trouw heeft ontdaan van zijn Iraakse paspoort heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling dat paspoort buiten zijn land van herkomst heeft afgestaan aan een reisagent, terwijl is gesteld noch gebleken dat hij daartoe door die reisagent is gedwongen. Voorts heeft de staatssecretaris van belang geacht dat de vreemdeling ook op aanwijzing van zijn reisagent heeft gehandeld, nadat hij niet meer door hem werd begeleid. Zo heeft de vreemdeling, naar eigen zeggen, op instructie van zijn reisagent het valse Maltese paspoort, waarmee hij van Indonesië naar Nederland is gereisd, tijdens zijn vlucht naar Nederland en zodra hij het Europese luchtruim binnenvloog vernietigd. Ook heeft de vreemdeling, naar gesteld op aanwijzing van zijn reisagent, bij aankomst in Nederland aanvankelijk verklaard dat hij vanuit Turkije naar Nederland is gevlogen. Die verklaring heeft hij later herroepen. Volgens de staatssecretaris mocht van de vreemdeling verwacht worden dat hij direct naar waarheid had verklaard, aangezien hij zich op dat moment reeds tot de Nederlandse autoriteiten had gewend om internationale bescherming te krijgen.

2.4. Met de hiervoor weergegeven motivering heeft de staatssecretaris zijn standpunt dat de vreemdeling zich waarschijnlijk te kwader trouw heeft ontdaan van zijn Iraakse paspoort teneinde daardoor in een gunstiger positie te komen voor verblijfsaanvaarding deugdelijk gemotiveerd. Derhalve heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op goede gronden de aanvraag van de vreemdeling met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen.

De eerste grief slaagt.

3. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond en het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De tweede grief van de staatssecretaris behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep tegen het besluit van 16 september 2015 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 oktober 2015 in zaak nr. 15/16979;

IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

549.