Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3793

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201402562/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2014:686, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 1 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402562/1/V2.

Datum uitspraak: 1 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 februari 2014, gerectificeerd op 3 maart 2014, in zaken nrs. 13/3164 en 13/3168 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor haar minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 1 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij op 3 maart 2014 gerectificeerde uitspraak van 21 februari 2014 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2013 in zaak nr. 201101466/1/V2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdelingen aan hun opvolgende aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag hebben gelegd, waardoor zij ten onrechte tot toetsing van de besluiten van 1 februari 2013 is overgegaan. Daartoe betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de verklaringen van de vreemdelingen blijkt dat zij reeds ten tijde van de eerdere procedure melding konden en derhalve behoorden te maken van hun bekering tot, dan wel belangstelling voor het christendom en dit zonder een in rechte te honoreren verklaring hebben nagelaten.

1.1. De vreemdelingen hebben eerder aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluiten van 21 maart 2012 zijn deze aanvragen afgewezen. De besluiten van 1 februari 2013, voor zover daarbij de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen zijn afgewezen, zijn van gelijke strekking als die van 21 maart 2012, zodat op de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen in zoverre het uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1 voortvloeiende beoordelingskader van toepassing is.

1.2. De vreemdelingen hebben aan hun opvolgende aanvragen ten grondslag gelegd dat zij zijn bekeerd tot het christendom. Daartoe hebben zij onder meer originele doopcertificaten van 28 oktober 2012 en 10 februari 2013 overgelegd.

Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 27 juni 2013 onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 oktober 2010 in zaak nr. 200910124/1/V2 heeft overwogen over bekeringen en opvolgende asielaanvragen, is een origineel doopcertificaat, betreffende een van na de beëindiging van de vorige asielprocedure daterende doop, een nieuw gebleken feit dat of veranderde omstandigheid die in zoverre tot toetsing van het besluit van gelijke strekking noopt. Dit is anders indien een vreemdeling in een eerdere procedure reeds melding had kunnen en derhalve behoren te maken van zijn bekering tot, dan wel belangstelling voor het christendom en dit zonder een in rechte te honoreren verklaring heeft nagelaten. In een dergelijk geval is een origineel doopcertificaat geen nieuw gebleken feit dat of veranderde omstandigheid die tot toetsing noopt.

1.3. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de verklaringen van de vreemdelingen over hun kerkbezoek op 29 december 2011 en gestelde bekering na de vorige besluiten van 21 maart 2012, de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit dit kerkbezoek valt af te leiden dat de vreemdelingen in hun vorige procedure melding hadden kunnen en derhalve behoren te maken van hun belangstelling voor het christendom. Zij heeft de door de vreemdelingen gestelde, van na die besluiten daterende bekering en de ter staving daarvan overgelegde stukken dan ook als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt.

1.4. De rechtbank heeft bij dit oordeel onvoldoende acht geslagen op de overige verklaringen van de vreemdelingen. Uit deze verklaringen blijkt dat hun belangstelling en gedragingen ten tijde van de bestuurlijke fase van de vorige procedure meer omvatten dan alleen interesse tonen in het christendom, en een enkele kennismaking daarmee. Zij hebben namelijk verklaard dat zij na hun kerkbezoek op 29 december 2011 geregeld kerken zijn gaan bezoeken, over het christendom zijn gaan spreken en de bijbel zijn gaan lezen. Uit deze verklaringen blijkt dan ook dat de vreemdelingen al in hun vorige procedure melding hadden kunnen en derhalve hadden behoren te maken van in ieder geval hun belangstelling voor het christendom. Dat de vreemdelingen dit, naar gesteld, op advies van hun gemachtigde niet hebben gedaan, vormt geen in rechte te honoreren verklaring.

1.5. Nu de vreemdelingen in hun eerdere procedure melding hadden kunnen en derhalve hadden behoren te maken van hun belangstelling voor het christendom, en dit zonder een in rechte te honoreren verklaring hebben nagelaten, zijn de door hen overgelegde documenten ter staving van hun uit deze belangstelling voortvloeiende bekering, waaronder hun doopcertificaten, gelet op voormelde Afdelingsuitspraak van 27 juni 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Aangezien de vreemdelingen ook voor het overige geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan hun aanvragen ten grondslag hebben gelegd en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, heeft de rechtbank in zoverre ten onrechte de besluiten van 1 februari 2013 getoetst.

1.6. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris overigens aanvoert behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De zaken zullen naar de rechtbank worden teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij moet de rechtbank met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2014 in zaak nr. 201301155/1/V2 beoordelen of hetgeen de vreemdelingen, ook in de bestuurlijke fase, hebben aangevoerd, tot het oordeel noopt dat hier een geval voorligt als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (www.echr.coe.int).

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet omtrent de vergoeding van deze kosten beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 februari 2014, gerectificeerd op 3 maart 2014, in zaken nrs. 13/3164 en 13/3168;

III. wijst de zaken naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Bosma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2015

572-802.