Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3790

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201505589/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2013, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 6:24
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505589/1/V1.

Datum uitspraak: 30 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[de vreemdeling]

appellant,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2013, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, beroep ingesteld. Het aanvullend beroepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een schriftelijke reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

Achtergrond

2. De vreemdeling is een Tutsi uit de provincie Zuid-Kivu van de Democratische Republiek Congo (hierna: de DRC).

De rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 14 september 2012 , in zaak nr. 12/11982, de eerdere afwijzing van de staatssecretaris om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, vernietigd. Hangende het hoger beroep van de vreemdeling tegen die uitspraak heeft de staatssecretaris het besluit van 15 mei 2013 genomen. Dit was bij de Afdeling niet bekend. Dit heeft tot gevolg gehad dat de Afdeling in haar uitspraak van 22 augustus 2013, in zaak nr. 201209828/1/V1, niet met toepassing van artikel 6:19, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb het beroep tegen het besluit van 15 mei 2013 gelijktijdig met het hoger beroep heeft behandeld. Bij brief van 15 juli 2015 heeft de Afdeling de vreemdeling bericht dat zij het inmiddels door de rechtbank doorgezonden beroepschrift van 4 juni 2013, gelet op de samenhang met voormeld hoger beroep, alsnog in behandeling heeft genomen.

Preliminair betoog

3. De vreemdeling betoogt dat het beroep door de rechtbank moet worden behandeld en dat hem door voormelde proceshandeling een instantie wordt ontnomen.

3.1. De Afdeling ziet geen aanleiding om het betoog van de vreemdeling te volgen. Doordat de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 mei 2013 alsnog in behandeling heeft genomen, verkeert de vreemdeling in de situatie die zou zijn ingetreden als de Afdeling vóór de afdoening van het hoger beroep bekend was geweest met het besluit van 15 mei 2013.

Vestigingsalternatief in Kinshasa

4. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij een vestigingsalternatief heeft in Kinshasa. Hiertoe voert hij aan dat de staatssecretaris voorbij is gegaan aan diens brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 4 juni 2013 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012/13, 19 637, nr. 1674; hierna: de brief van 4 juni 2013) en dat het op basis van de ten tijde van het besluit van 15 mei 2013 beschikbare informatie niet verantwoord was om een vestigingsalternatief tegen te werpen aan Tutsi's uit een gebied, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn; thans richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming; hierna: de richtlijn/herschikking). Ter toelichting voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische situatie.

4.1. In het besluit van 15 mei 2013 heeft de staatssecretaris het beroep van de vreemdeling op de aanwezigheid van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn niet gehonoreerd, omdat de vreemdeling kan worden geacht zich veilig buiten de oostelijke provincies van de DRC te vestigen. Daarbij heeft de staatssecretaris de medische situatie van de vreemdeling betrokken.

In de brief van 4 juni 2013 heeft de staatssecretaris voor asielzoekers van Tutsi-afkomst uit het oosten van de DRC een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld en aangekondigd dat hij zijn beleid voor die groep asielzoekers op basis van een nieuw algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken bekend zal maken.

In zijn Besluiten van 6 februari 2014, WBV 2014/1, en van 16 februari 2015, WBV 2015/4, heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, als beleid bepaald dat voor de DRC in de provincie Zuid-Kivu een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn/herschikking aan de orde is en dat voor personen afkomstig uit die provincie een vestigingsalternatief aanwezig is in Kinshasa, indien de vrees een gevolg is van die uitzonderlijke situatie.

In het algemeen ambtsbericht over de DRC van november 2013 is op bladzijde 33 het volgende vermeld:

"Vestiging elders

Personen uit de Kivu-provincies kunnen zich elders in de DRC vestigen als zij daartoe de economische mogelijkheid hebben. De grote steden hebben etnische gemeenschappen uit alle delen van het land waar 'nieuwkomers' zich kunnen aansluiten."

en op bladzijde 55:

"Tutsi's in Kinshasa

In Kinshasa wonen naar schatting 60 tot 70 Banyamulenge en eenzelfde aantal (andere) Tutsi's. Ze wonen vooral in de - relatief veilige wijken - villawijken Gombe en Ma Campagne. Ze zijn tijdens de verslagperiode niet betrokken geweest bij geweldsincidenten."

In het algemeen ambtsbericht over de DRC van december 2014 wordt op bladzijde 61 laatstvermelde passage herhaald.

In het verweerschrift heeft de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar het in WBV 2014/1 en 2015/4 neergelegde beleid en de twee laatstvermelde bladzijden van de algemene ambtsberichten, op het standpunt gesteld dat voor de vreemdeling een vestigingsalternatief aanwezig is in Kinshasa.

4.2. De vreemdeling heeft niet gestaafd dat vestiging in Kinshasa voor hem onmogelijk is. Gelet hierop ziet de Afdeling, met inachtneming van de in artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 neergelegde ex nunc-toetsing, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris hem ten onrechte een vestigingsalternatief in Kinshasa heeft tegengeworpen. Vergelijk de decision van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 17 februari 2015, nr. 10260/13, Ndabarishye Rugira tegen Nederland (www.echr.coe.int), paragraaf 40, waaruit kan worden afgeleid dat het EHRM over het bestaan van een vestigingsalternatief in Kinshasa voor Tutsi's uit Noord- of Zuid-Kivu hetzelfde oordeelt.

Hetgeen de vreemdeling ter toelichting van zijn medische situatie heeft aangevoerd en door overlegging van zijn medisch dossier heeft gestaafd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de staatssecretaris zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling in het veilig geachte gebied van de DRC een naar plaatselijke maatstaven gemeten normaal en humaan bestaan zal kunnen leiden en dat uit het advies van het Bureau Medische Advisering van 7 maart 2013 volgt dat de vreemdeling zonder medische voorziening kan reizen.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is kennelijk ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 mei 2013 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2015

32.