Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201500163/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Lith Centrum - 2014" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500163/1/R3.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Lith, gemeente Oss,

2. [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Lith, gemeente Oss (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3], wonend te Lith, gemeente Oss,

en

de raad van de gemeente Oss,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Lith Centrum - 2014" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2015, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door S. Rambags, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2C] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.L. van Korlaar van Blijenburgh, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.E.W.J. Quax-Kuster en ir. A.G. Kepers-Koornberg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van partijen heeft de raad ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Inleiding

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het centrum van Lith. Het plan maakt onder meer de verplaatsing van een basisschool en een gemeenschapshuis naar het voormalige gemeentehuis op de hoek van de Mgr. Bekkersstraat en het Anton Coolenplein mogelijk. Het plan is voor het overige in hoofdzaak conserverend van aard.

4. [appellanten sub 1] zijn eigenaar respectievelijk exploitant van de [supermarkt] op het perceel [locatie 1] in het plangebied. Hun beroep is gericht tegen de planregeling voor een supermarkt.

[appellant sub 2] is eigenaar van de panden op de percelen [locatie 2] en [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] en [locatie 6]. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de planregeling voor deze percelen.

[appellant sub 3] woont en heeft een klein bedrijf op het perceel [locatie 7]. Hij wenst een ruimere bestemming voor zijn perceel dan de raad daaraan heeft toegekend.

Procedure

5. [appellanten sub 1] voeren aan dat de raad hun belangen ondergeschikt heeft gemaakt aan de door hem gewenste prestigieuze herontwikkeling van het voormalige gemeentehuis. Zij stellen dat er verschillende gesprekken met het gemeentebestuur hebben plaatsgevonden over de voorgenomen ontwikkelingen, maar dat er ten tijde van het eerste gesprek in 2012 al vastomlijnde voornemens lagen. De raad heeft geen rekening gehouden met de gevolgen voor en wensen van de ondernemers in het plangebied. Volgens [appellanten sub 1] heeft de raad hetgeen zij in de planprocedure naar voren hebben gebracht niet serieus genomen.

5.1. De raad stelt dat het gemeentebestuur al in 2010 gesprekken met [appellanten sub 1] heeft gevoerd in het kader van de voorbereiding van het plan. Zo hebben er in 2010 twee gesprekken plaatsgevonden met het oog op een op te stellen quickscan en een variantenstudie voor de toekomst van het centrum van Lith. De quickscan heeft de basis gevormd voor het "Toekomstperspectief Centrum Lith" en het voorliggende plan. Na 18 oktober 2011 zijn er volgens de raad ook diverse gesprekken geweest met [appellant sub 1B] en de stedenbouwkundige. Tijdens deze gesprekken zijn onder meer de mogelijke varianten voor een uitbreiding van de supermarkt besproken. De raad bestrijdt dat de inbreng van [appellanten sub 1] door hem niet serieus is genomen.

5.2. Zoals de raad heeft toegelicht zijn er ter voorbereiding van het plan diverse gesprekken met [appellanten sub 1] gevoerd. Voorts is aan hen de mogelijkheid tot inspraak geboden op het voorontwerpplan en het door het gemeentebestuur geformuleerde toekomstperspectief voor het centrum van Lith. De raad is in de nota van inspraak gemotiveerd ingegaan op hetgeen zij naar voren hebben gebracht. Voorts zijn [appellanten sub 1] naar aanleiding van hun zienswijze op het ontwerpplan gehoord door een gemeentelijke hoorcommissie. In de nota van zienswijzen en wijzigingen is de raad gemotiveerd ingegaan op hetgeen [appellanten sub 1] in hun zienswijze hebben aangevoerd. Ook zijn zij voor de vaststelling van het plan gehoord door de Advies Commissie Ruimte van de gemeente. De Afdeling is van oordeel dat gelet op het voorgaande geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad de belangen van [appellanten sub 1] onvoldoende bij zijn besluitvorming heeft betrokken en hetgeen zij naar voren hebben gebracht niet serieus heeft genomen. Dat hetgeen zij hebben aangevoerd niet heeft geleid tot een aanpassing van het plan biedt hiervoor onvoldoende grond.

Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

6. [appellanten sub 1] voeren aan dat de raad de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet adequaat heeft onderbouwd.

6.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

In de plantoelichting staat dat het planschaderisico vooraf is ingeschat en eventuele planschadekosten op de initiatiefnemer worden afgewenteld via een overeenkomst. Er doen zich geen situaties voor waarin op voorhand moet worden aangenomen dat een dergelijke afwenteling niet mogelijk is. De Afdeling is van oordeel dat de raad op deze wijze de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende heeft onderbouwd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd. [appellanten sub 1] hebben niet nader onderbouwd waarom de raad niet van de financiële uitvoerbaarheid van het plan heeft kunnen uitgaan.

Het betoog faalt.

Parkeren

7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de raad bij de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen in de Mgr. Bekkersstraat ten onrechte is afgeweken van het gemeentelijke parkeerbeleid. Het aantal parkeerplaatsen waarin het plan voorziet is beduidend lager dan het aantal dat volgens het beleid nodig zou zijn. De parkeertellingen die de raad heeft laten uitvoeren zijn volgens hen onzorgvuldig uitgevoerd, waardoor het aantal benodigde parkeerplaatsen te laag is ingeschat. De bestaande parkeerdruk wordt met het plan niet opgelost en zal onaanvaardbaar toenemen.

7.1. De raad heeft in de voorbereiding van het plan een parkeeronderzoek laten uitvoeren door Megaborn. Bij dit onderzoek zijn verschillende ondernemers, waaronder [appellant sub 1B] en [appellant sub 2], betrokken. In 2010 zijn 13 en in 2013 16 parkeertellingen gedaan op verschillende dagen en tijdstippen. Daarbij is geteld op dagen en tijdstippen die in theorie het drukst zouden moeten zijn en op dagen en tijdstippen waarvan ondernemers hebben aangegeven dat deze het drukst zijn. Deze tellingen geven volgens de raad een representatief beeld van de huidige parkeerdruk. In de rapporten wordt geconcludeerd dat er in de huidige situatie voldoende parkeerplaatsen zijn. Op basis van twee stedenbouwkundige programma's voor het centrum van Lith zijn parkeerbalansen opgesteld. De raad heeft toegelicht dat voor het bepalen van de toekomstige parkeervraag in de Mgr. Bekkersstraat is uitgegaan van de werkelijke parkeerdruk op het drukste moment en vervolgens op basis van de CROW-cijfers is bepaald hoeveel extra parkeerplaatsen er nodig zijn in verband met de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Tegenover de parkeervraag van 189 voertuigen in het onderzoeksgebied staat een voorzien parkeeraanbod van 243 parkeerplaatsen. Het plan voorziet gelet hierop volgens de raad in ruim voldoende parkeerplaatsen. In de Mgr. Bekkersstraat is volgens de raad weliswaar een tekort aan parkeerplaatsen op de piekmomenten, maar dit tekort kan met andere parkeerplaatsen op korte loopafstand worden opgevangen.

7.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het aantal benodigde parkeerplaatsen heeft kunnen uitgaan van de parkeertellingen in combinatie met de CROW-normen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat deze tellingen onzorgvuldig zijn geweest of geen representatief beeld geven van de huidige parkeerdruk. De eigen tellingen van [appellanten sub 1] bieden hiertoe naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende grond, nu uit deze tellingen niet volgt dat de gemeentelijke tellingen niet representatief zijn. Er bestaat gelet op hetgeen de raad heeft toegelicht geen grond voor het oordeel dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Met de raad is de Afdeling van oordeel dat het plan niet aan de realisering van de benodigde parkeerplaatsen in de weg staat.

Het betoog faalt.

Bestemmingsgrens detailhandel

8. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de grens van de bestemming "Detailhandel-2" die de raad aan de percelen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 1] heeft toegekend in vergelijking met het vorige plan "Mgr. Bekkersstraat" ten onrechte is teruggebracht tot aan het bouwvlak. De strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak, die in het vorige plan de bestemming "Detailhandel" had, heeft in dit plan volgens hen ten onrechte de bestemming "Verkeer - Verblijf" gekregen.

8.1. De raad stelt dat [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] terecht aanvoeren dat de begrenzing van de bestemming "Detailhandel-2" ten onrechte is teruggebracht tot aan het bouwvlak.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

[locatie 1]

9. [appellanten sub 1] voeren aan dat een uitbreiding van de supermarkt met 500 m2, waarin het plan voorziet door middel van een wijzigingsbevoegdheid, niet haalbaar is, onder meer omdat laden en lossen op eigen terrein dient plaats te vinden. Laden en lossen moet volgens hen op de huidige plek aan de mr. Van Coothstraat mogelijk blijven.

9.1. De raad heeft ter zitting aan de hand van kaartmateriaal toegelicht dat de uitbreiding van de supermarkt die het plan mogelijk maakt haalbaar is. De supermarkt kan aan de zuidkant worden uitgebreid met 500 m2. Laden en lossen kan dan aan de zijkant van de supermarkt op eigen terrein plaatsvinden. Op die manier ontstaat volgens de raad een veilige verkeerssituatie. Indien geen gebruik wordt gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid kan het laden en lossen in beginsel blijven plaatsvinden op de mr. Van Coothstraat.

9.2. De Afdeling ziet gelet op deze toelichting van de raad geen grond voor het oordeel dat de uitbreiding van de supermarkt die het plan mogelijk maakt niet haalbaar is. De raad heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen dat het laden en lossen na de uitbreiding dient plaats te vinden op eigen terrein.

Het betoog faalt.

[locatie 2] en [locatie 3]

10. [appellant sub 2] voert aan dat de raad aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] ten onrechte de bestemming "Detailhandel-2" heeft toegekend, nu binnen die bestemming een publieksverzorgend ambacht niet mogelijk is. [appellant sub 2] wenst een gemengde bestemming voor haar percelen, waarbinnen bedrijven uit categorie 1 en 2 mogelijk zijn, omdat zij niet uitsluit dat zij in haar panden op een zeker moment een publieksverzorgend ambacht wil vestigen.

10.1. De raad stelt dat binnen de gemeente Oss wordt gewerkt met de "Osse Standaard". Dit houdt in dat op een vaste wijze wordt bestemd met standaard bestemmingen en standaard bestemmingsplanregels. Volgens de raad heeft het toekennen van een gemengde bestemming uit de "Osse Standaard", waarbinnen een publieksverzorgend ambacht mogelijk is, aan de percelen [locatie 2] en [locatie 3] ongewenste gevolgen. De raad is terughoudend in het toekennen van ruime gebruiksmogelijkheden aan grote panden en heeft daarom aangesloten bij het bestaande gebruik van de panden.

10.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruime gebruiksmogelijkheden die een gemengde bestemming voor voormelde percelen van [appellant sub 2] met zich brengt ongewenste gevolgen kan hebben en dat de bestemming "Detailhandel-2", conform het huidige gebruik van de panden, passend is.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 2] voert aan dat de strook grond van gemiddeld 4 m breed voor de panden aan de [locatie 2] en [locatie 3] door haar al jaren wordt gebruikt voor de uitstalling van tuinmeubilair en reclame voor het warenhuis. Door hier niet tegen op te treden heeft de raad bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat het uitstallen van goederen op de strook grond is toegestaan. Het plan maakt het uitstallen van goederen volgens haar ten onrechte niet mogelijk.

11.1. De raad stelt dat voor uitstalling van goederen op de stoep op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening een vergunning nodig is. Deze is nooit aan [appellant sub 2] verleend. De huidige inrichting van de openbare weg maakt volgens de raad dat hij tot nog toe heeft gedoogd dat de grond wordt gebruikt voor het uitstallen van goederen. Het gemeentebestuur heeft een terughoudend handhavingsbeleid gevoerd. Na de herinrichting van de Mgr. Bekkersstraat is de beschikbare ruimte volgens de raad echter te beperkt om hier nog langer uitstallingen toe te staan of te gedogen.

11.2. Wat betreft de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor de panden aan de [locatie 2] en [locatie 3], waaraan in het vorige bestemmingsplan de bestemming "Detailhandel" was toegekend, heeft de Afdeling hiervoor onder 8.1 reeds overwogen dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Reeds daarom slaagt het beroep van [appellant sub 2] in zoverre. Wat betreft de resterende strook grond voor de panden waar [appellant sub 2] de mogelijkheid tot uitstalling wenst, overweegt de Afdeling dat hieraan in het vorige plan de bestemming "Verkeersdoeleinden" was toegekend. Deze bestemming maakt uitstalling niet mogelijk. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om opnieuw een verkeersbestemming aan dit stuk grond toe te kennen, nu uitstalling van goederen zich niet verdraagt met de herinrichting van de Mgr. Bekkersstraat.

Het betoog slaagt.

12. [appellant sub 2] voert aan dat de raad ten onrechte geen bouwvlak heeft toegekend aan de strook grond tussen de [locatie 2] en [locatie 3], en wel de aanduiding "laad- en losplaats". [appellant sub 2] wenst op termijn deze strook bij de nieuwbouw van het pand op de [locatie 2] te betrekken en wil daarom een bouwvlak op die plek. Het gemeentebestuur is volgens haar al jaren op de hoogte van deze plannen.

12.1. De raad stelt dat voor de nieuwbouwplannen van [appellant sub 2] een herziening van het plan nodig zal zijn. Hierover is de raad al met [appellant sub 2] in gesprek geweest, maar dit heeft niet tot het gewenste resultaat geleid. Op dit moment kan er volgens de raad geen bouwvlak worden opgenomen voor de strook, omdat [appellant sub 2] dan geen geschikte ruimte meer over heeft voor laden en lossen. Dit plan regelt dat dit op eigen terrein moet gebeuren, omdat laden en lossen in de openbare ruimte leidt tot gevaarlijke situaties.

12.2. In het vorige plan was wel een bouwvlak opgenomen voor de voormelde strook grond. Ook in dat plan was echter in de planregels opgenomen dat de bebouwing dusdanig diende te worden gesitueerd op het perceel dat de bevoorrading geheel op eigen terrein kon plaatsvinden. De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid ook in dit plan heeft kunnen opnemen dat het laden en lossen op eigen terrein dient te geschieden, in verband met de veiligheid. De raad heeft voorts toegelicht dat voormelde strook grond de enige plek is op het eigen terrein van [appellant sub 2] waar laden en lossen kan plaatsvinden. Een deskundige heeft vastgesteld dat laden en lossen op de plek achter de panden waar [appellant sub 2] dit wenst niet mogelijk is. Grote vrachtwagens kunnen daar niet komen, omdat deze de draai er naar toe niet kunnen maken. De raad is daarbij uitgegaan van de eigen verklaringen van [appellant sub 2] over de grootte van de vrachtwagens die komen laden en lossen. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten aan voormelde strook grond de aanduiding "laad- en losplaats" toe te kennen. Daartoe acht de Afdeling mede van belang dat [appellant sub 2] geen concrete voornemens voor nieuwbouw op die plek heeft voorgelegd.

Het betoog faalt.

13. [appellant sub 2] voert aan dat het plan het ten onrechte niet mogelijk maakt om boven de winkelpanden aan de [locatie 2] en [locatie 3] nieuwe bovenwoningen te realiseren, maar slechts de bestaande woningen toestaat. Volgens [appellant sub 2] maakte het vorige plan wel nieuwe bovenwoningen mogelijk, zodat dit plan in zoverre een beperking inhoudt.

13.1. De raad stelt dat het voorheen geldende plan tegenstrijdig is over de aard van de woningen die boven de winkelpanden zijn toegestaan. Uit de regels volgt dat alleen dienstwoningen zijn toegestaan, terwijl uit de toelichting lijkt te volgen dat ook burgerwoningen zijn toegestaan. Met [appellant sub 2] is afgesproken dat in dit plan de bestaande situatie als zodanig wordt bestemd. Voor het bieden van de mogelijkheid om meer woningen te realiseren, zal volgens de raad een nieuwe integrale afweging moeten worden gemaakt.

13.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1 van de planregels van het voorheen geldende bestemmingsplan "Mgr. Bekkersstraat" zijn de op de plankaart als "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd ten dienste van detailhandelsdoeleinden en aanverwante activiteiten, zoals kantoren met baliefunctie en publieksverzorgende ambachten, met de daarbij behorende winkels, werkplaatsen, opslagruimten, woningen, erven en voorzieningen.

Uit dit artikel volgt naar het oordeel van de Afdeling eenduidig dat alleen dienstwoningen boven de winkelpanden zijn toegestaan. De planregels zijn leidend bij de uitleg van een plan, zodat de omstandigheid dat dit uit de toelichting niet direct zou volgen niet van belang is. Het plan maakt derhalve meer mogelijk dan het vorige plan, nu de bestaande burgerwoningen in dit plan als zodanig zijn bestemd. De raad heeft, nu [appellant sub 2] geen concrete voornemens heeft voorgelegd voor nieuwe burgerwoningen, in redelijkheid alleen de bestaande situatie als zodanig kunnen bestemmen.

Het betoog faalt.

[locatie 4] en [locatie 5]

14. [appellant sub 2] voert aan dat aan de strook grond tussen de percelen [locatie 4] en [locatie 5] ten onrechte de bestemming "Verkeer-Verblijf" is toegekend. [appellant sub 2] vreest dat laden en lossen ten behoeve van haar fietsenwinkel niet meer mogelijk zal zijn als de strook grond in de toekomst zal worden gebruikt als voetpad.

14.1. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Verkeer - Verblijf" voor een voetpad samen gaat met het af en toe laden en lossen bij een winkel.

Het betoog faalt.

[locatie 6]

15. [appellant sub 2] voert aan dat een gedeelte van haar perceel [locatie 6] ten onrechte geen woonbestemming, maar een tuinbestemming heeft gekregen. In het vorige plan had het gehele perceel een woonbestemming. [appellant sub 2] wenst de mogelijkheid te behouden om in de toekomst de woning op het perceel uit te breiden, hetgeen binnen de tuinbestemming niet langer mogelijk is.

15.1. De raad verwijst naar de "Osse Standaard". Het is de Osse wijze van bestemmen dat aan een bouwperceel voor een woning twee bestemmingen worden toegekend, "Tuin" en "Wonen". De bestemming "Tuin" is bedoeld voor het onbebouwde gedeelte van een bouwperceel. In de planregels van het vorige plan stond dat bij het situeren van de bouwmassa rekening diende te worden gehouden met de toegankelijkheid van de naastgelegen woning. Gelet daarop kon volgens de raad op het gedeelte van het perceel waaraan in dit plan de bestemming "Tuin" is toegekend ook op basis van dat plan niet worden gebouwd.

15.2. Uit de luchtfoto’s van het perceel die de raad ter zitting heeft overgelegd blijkt dat de woning kan worden uitgebreid op het gedeelte van het perceel dat in dit plan de bestemming "Tuin" heeft gekregen zonder dat daardoor de naastgelegen woning onbereikbaar wordt. Het was derhalve, anders dan de raad stelt, niet in strijd met het vorige plan om de woning uit te breiden op dit gedeelte van het perceel. De bestemming "Tuin" in dit plan maakt dit niet langer mogelijk. Het bestreden besluit is wat betreft dit onderdeel gelet op het voorgaande niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij ervoor heeft gekozen uitbreiding van de woning niet langer op dit gedeelte van het perceel toe te staan. De motivering van de raad ter zitting dat hij de zichtlijnen wil behouden, acht de Afdeling hiertoe onvoldoende, nu onduidelijk is welke rol aan het belang van [appellant sub 2] is toegekend in dit verband.

Het betoog slaagt.

[locatie 7]

16. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de bestemming "Wonen -Vrijstaand" die aan zijn perceel [locatie 7] is toegekend. [appellant sub 3] wenst voor het perceel een gemengde bestemming, zodat een bed and breakfast, een restaurant en het houden van kookworkshops aldaar mogelijk worden. [appellant sub 3] voert aan dat de raad ten onrechte de door hem gedane aanvragen om een omgevingsvergunning niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het plan. Zijn voornemens zijn passend in de omgeving. De raad heeft volgens [appellant sub 3] ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken dat er al veel horecagelegenheden zijn in Lith. Aan de omliggende percelen en aan de meeste percelen in het centrum van Lith die vergelijkbaar zijn met zijn perceel is volgens hem ook een gemengde bestemming toegekend. De raad handelt daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

16.1. De raad voert aan dat de voornemens van [appellant sub 3] in strijd zijn met het Beleid aan huis gebonden activiteiten dat de raad op 22 november 2012 heeft vastgesteld. De woonfunctie is in zijn voornemens namelijk ondergeschikt aan de bedrijfsmatige activiteiten. Voorts voert de raad aan dat [appellant sub 3] inderdaad twee conceptaanvragen om een omgevingsvergunning heeft ingediend, maar dat hij hiervan noch in zijn inspraakreactie, noch in zijn zienswijze melding heeft gemaakt. Indien hij dat wel had gedaan hadden deze, indien nodig voorzien van een nadere onderbouwing, bij het plan kunnen worden betrokken. De raad acht de voornemens van [appellant sub 3] op dit moment niet voldoende concreet en uitgekristalliseerd om deze te kunnen beoordelen. Een nadere onderbouwing is volgens de raad noodzakelijk. Daarbij wijst de raad erop dat de voornemens van [appellant sub 3] zoals gepresenteerd in het beroepschrift verschillen van de voornemens in de conceptaanvragen om een omgevingsvergunning. Wat betreft de wens van [appellant sub 3] om zijn pand als bed and breakfast te gebruiken, wijst de raad erop dat de bestemming "Wonen - Vrijstaand" een bed and breakfast met twee kamers mogelijk maakt. Ook staat deze bestemming aan huis gebonden activiteiten toe.

16.2. In voormeld gemeentelijk beleid is opgenomen dat bij het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep of bedrijf het van belang is dat de woonfunctie te allen tijde de hoofdfunctie blijft. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de voornemens van [appellant sub 3] op dit punt in strijd zijn met het gemeentelijke beleid. Reeds daarom heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten niet de door [appellant sub 3] gewenste bestemming aan zijn perceel toe te kennen. Overigens overweegt de Afdeling dat de voornemens van [appellant sub 3] niet voldoende concreet en niet consistent zijn, zodat de raad deze niet bij de totstandkoming van het plan heeft hoeven betrekken. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met vergelijkbare percelen die wel een gemengde bestemming hebben gekregen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze percelen verschillen van het perceel van [appellant sub 3] wat betreft omvang van bebouwing, ligging en de voorheen geldende bestemming. Verder is in die gevallen sprake van leegstand. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van vergelijkbare percelen.

Het betoog faalt.

Conclusie

17. Gelet op hetgeen is overwogen onder 16.2 is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond. Ten aanzien van [appellant sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

18. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op hetgeen is overwogen onder 8.1, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijf" voor de strook grond van gemiddeld 2 m breed voor het bouwvlak van de percelen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 1], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op hetgeen is overwogen onder 15.2, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel [locatie 6], is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond.

19. Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe voor de onder 18. bedoelde planonderdelen een passende planregeling vast te stellen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. De raad dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

20. In de einduitspraak zal ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Oss op om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellant sub 2C]:

- voor de onder 18. bedoelde planonderdelen een passende planregeling vast te stellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Brock

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015