Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:376

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201404757/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:2139, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] van rechtswege een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een APK-servicestation op de [locatie] te Coevorden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404757/1/A1.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intergas Verwarming B.V., gevestigd te Coevorden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2014 in zaak nr. 13/685 in het geding tussen:

Intergas

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

Procesverloop

Bij besluit van 1 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] van rechtswege een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een APK-servicestation op de [locatie] te Coevorden.

Bij besluit van 30 juli 2013 heeft het college het door Intergas daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 januari 2013 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 29 april 2014 heeft de rechtbank het door Intergas daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Intergas hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2015, waar Intergas, vertegenwoordigd door mr. A.B. Lever, advocaat te Apeldoorn, en P.J. Cool, en het college, vertegenwoordigd door P.A. Bakker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [belanghebbende] verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is paragraaf 3.2 (de reguliere voorbereidingsprocedure) van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.

Ingevolge het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, is Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3°, of artikel 2.12, tweede lid.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Europark, Heege-West" rust op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" met de nadere aanduiding "b≤4".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor industriële bedrijven, bouwnijverheids- en installatiebedrijven, reparatie-, communicatie- en wegvervoersbedrijven, inrichtingen en installaties voor openbaar nut, alsmede groothandelsbedrijven met uitzondering van detailhandelsbedrijven, voor zover deze voorkomen in de bij dit plan horende Staat van Bedrijfsactiviteiten met dien verstande dat voor zover de gronden op de kaart zijn aangeduid als b≤4, uitsluitend bedrijven zijn toegestaan die zijn genoemd in de categorieën drie en vier van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het zesde lid kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a.3, voor de vestiging van bedrijven, vermeld in de Staat van Inrichtingen onder categorie één en twee, voor zover het betreft:

- ondersteunende bedrijven en voorzieningen ten behoeve van de overige toegestane bedrijven;

- incidentele bedrijfsvestigingen op overhoeken en restpercelen.

In de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn reparatie- en servicebedrijven onder het kopje "Reparatie van auto's, motorfietsen; benzinestations" ingedeeld in categorie twee.

2. Intergas betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen vergunning van rechtswege is verleend. Daartoe voert zij aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan alleen bedrijven toestaat die zijn genoemd in de categorieën drie en vier van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en het APK-servicestation in categorie twee valt. Van de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om in afwijking van het bestemmingsplan omgevingsvergunning te verlenen, heeft het college geen gebruik gemaakt. Dat is ook niet mogelijk, omdat het APK-servicestation niet voldoet aan de voorwaarden om van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken, aldus Intergas.

2.1. Voor zover het college in zijn verweerschrift aanvoert dat dit betoog voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd en om die reden buiten beschouwing moet blijven, wordt als volgt overwogen. Bij beantwoording van de vraag of een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, welke vraag ook bij de rechtbank aan de orde was, moet worden beoordeeld of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat in het bestemmingsplan geen voorschrift is aan te wijzen dat in de weg staat aan de vestiging van een kleinschaliger bedrijf dan dat van vergunninghouder in het plangebied. Het betoog van Intergas is daarop een reactie.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2013, in zaak nr. 201302047/1/A1), dient het bestuursorgaan na ontvangst van een aanvraag om omgevingsvergunning tijdig te bezien welke procedure daarop ingevolge de Wabo van toepassing is. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag om omgevingsvergunning de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is, gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dit betekent dat indien de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, omdat de aangevraagde activiteit binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid valt maar niet binnen de daarvoor geldende beslistermijn een besluit op de aanvraag wordt genomen, uit artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, gelezen in verbinding met 4:20b, eerste lid, van de Awb, volgt dat de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Daarbij is niet van belang of de aangevraagde activiteit voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid. In dit verband moet de reikwijdte van de bevoegdheid om binnenplans van het bestemmingsplan af te wijken voor een project dus worden onderscheiden van de voorwaarden om toepassing te geven aan de bevoegdheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 februari 2013, in zaak nr. 201202810/1/A1) bestaat na afloop van de volgens de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn geen mogelijkheid meer om te besluiten of aan die voorwaarden is voldaan. Het voorgaande is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever om tijdige besluitvorming door de bevoegde gezagen te bevorderen (zie onder meer Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, blz. 34-36).

2.3. Ter zitting van de Afdeling is vastgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de bouw van het APK-servicestation, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in strijd is met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de planvoorschriften.

Intergas betoogt terecht dat de bouw van het APK-servicestation niet valt binnen de reikwijdte van de in artikel 3, zesde lid, van de planvoorschriften opgenomen afwijkingsmogelijkheid. In dat artikel wordt de mogelijkheid om af te wijken van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de planvoorschriften beperkt tot ondersteunende bedrijven en voorzieningen ten behoeve van de overige toegestane bedrijven en incidentele bedrijfsvestigingen op overhoeken en restpercelen. In de planvoorschriften noch in de plantoelichting is omschreven wat een ondersteunend bedrijf is. In aansluiting op het algemeen spraakgebruik verstaat de Afdeling daaronder een bedrijf dat blijvend is gericht op de dienstverlening aan de overige toegestane bedrijven en dat voor zijn bedrijfseconomisch functioneren afhankelijk is van de binding en de nabijheid van de toegestane bedrijven. Het aangevraagde APK-servicestation voldoet niet aan deze omschrijving en is derhalve geen ondersteunend bedrijf. Dat werknemers van de toegestane bedrijven op het bedrijventerrein gebruik kunnen maken van de APK-service is daarvoor onvoldoende. Voorts is ter zitting vastgesteld dat het perceel [locatie] geen overhoek of restperceel is, zodat de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid niet kan worden toegepast. In het bestemmingsplan is geen andere afwijkingsmogelijkheid opgenomen op grond waarvan de gevraagde omgevingsvergunning verleend kan worden. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.4. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Verlening van de omgevingsvergunning met toepassing van de in de planvoorschriften opgenomen afwijkingsmogelijkheden is niet mogelijk. Evenmin kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2º, van de Wabo worden verleend. Gelet hierop diende het college de aanvraag om omgevingsvergunning mede te beoordelen als een aanvraag om omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3º, van de Wabo. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is in dat geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing. Ingevolge artikel 3.10, vierde lid, van de Awb kan in dat geval geen omgevingsvergunning van rechtswege worden verleend. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het bestemmingsplan niet in de weg staat aan de vestiging van het APK-servicestation in het plangebied en dat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog slaagt. De overige in hoger beroep aangevoerde gronden, behoeven geen bespreking.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 30 juli 2013 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo voor vernietiging in aanmerking.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2014 in zaak nr. 13/685;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Coevorden van 30 juli 2013, kenmerk 13-071871;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Coevorden tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intergas Verwarming B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Coevorden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Intergas Verwarming B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 811,00 (zegge: achthonderdelf euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

374-724.