Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201501313/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8893, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 januari 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het verzoek om verlening van een vergunning voor het kleinschalige kampeerterrein aan [locatie] te Veere (hierna: het kampeerterrein).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501313/1/A3.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger van:

[appellant A] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. De Heksenketel Veere, wonend onderscheidenlijk gevestigd te Veere,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2014 in zaak nr. 14/3328 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Bij brief van 30 januari 2014 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant A] geen belanghebbende is bij het verzoek om verlening van een vergunning voor het kleinschalige kampeerterrein aan [locatie] te Veere (hierna: het kampeerterrein).

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en De Heksenketel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2015, waar [appellant A] en De Heksenketel, beide vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J.S. van Sabben, werkzaam bij het college, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft bij besluit van 9 juli 2009 aan [appellant A] een vergunning verleend voor het exploiteren van het kampeerterrein met maximaal 5 en geen permanente standplaatsen. Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college aan [appellant A] vergunning verleend voor het exploiteren van het kampeerterrein met maximaal 15 standplaatsen, waaronder 5 voor permanente kampeermiddelen.

Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college aan [appellant A] een ontheffing verleend voor het uitbreiden van dat kampeerterrein van 15 naar 25 standplaatsen. Het college heeft die ontheffing bij besluit van 19 maart 2012 aangepast. Die besluiten staan centraal in de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2015 in zaak nr. 201500508/1/A3.

2. Bij brief van 29 oktober 2013 hebben [appellant A] en [bedrijf], gevestigd te Veere, het college verzocht voor het kampeerterrein een vergunning af te geven als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Kampeerverordening 2013.

3. Het college heeft in de brief van 30 januari 2014 te kennen gegeven dat [appellant A] reeds in het bezit is van een ontheffing voor het kampeerterrein. Daarom is zij geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij het verzoek en is dat verzoek daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college heeft daarom geen besluit genomen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, aldus de brief van 30 januari 2014.

Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant A] op grond van het overgangsrecht in de Kampeerverordening 2013 in het bezit is van een vergunning voor het kampeerterrein. Haar rechten en plichten veranderen niet door het afgeven van een nieuwe vergunning. Een nieuwe vergunning leidt daarom niet tot enig rechtsgevolg. Daarom is de brief van 30 januari 2014 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en staat daartegen geen bezwaar open.

4. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. De rechtbank heeft geweigerd De Heksenketel met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb tot het geding toe te laten. Voor zover het hoger beroep van De Heksenketel geacht moet worden te zijn ingesteld tegen deze beslissing, zijn daartoe geen gronden aangevoerd. Het hoger beroep is daarom in zoverre ongegrond.

5. [appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met het verlenen van de vergunning die zij heeft aangevraagd haar rechten en plichten niet veranderen. Door het verlenen van de door haar gevraagde vergunning kan zij door middel van exceptieve toetsing de geldigheid van de Kampeerverordening 2013 aan de orde stellen, hetgeen haar een belang geeft bij een besluit op haar aanvraag, aldus [appellant A].

5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Kampeerverordening 2013 is het verboden zonder vergunning van het college een kleinschalig kampeerterrein te exploiteren.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, gelden kampeervergunningen en kampeerontheffingen voor het exploiteren van een kleinschalig kampeerterrein, verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, als kampeervergunning in de zin van artikel 2, eerste lid, van deze verordening, voor zover de op het moment van inwerkingtreding van deze verordening bestaande afwijking ten opzichte van de eisen als gesteld in artikel 2 van de verordening niet wordt vergroot.

5.2. Zoals volgt uit overweging 1 beschikte [appellant A] ten tijde van haar aanvraag reeds over een ontheffing voor het kampeerterrein. Die ontheffing geldt krachtens artikel 11, eerste lid, als kampeervergunning in de zin van artikel 2, eerste lid.

Gelet op artikel 11, eerste lid, van de Kampeerverordening 2013, mag [appellant A] met de ontheffing waarover zij thans beschikt afwijken van de eisen die zijn gesteld in artikel 2, zolang de afwijkingen reeds bestonden op het moment van inwerkingtreding van die verordening en die afwijkingen niet worden vergroot. Indien het college haar een nieuwe vergunning zou verlenen op grond van die verordening, zou geen enkele afwijking meer zijn toegestaan. Daarmee zou zij in een slechtere positie komen te verkeren.

Dat [appellant A] met haar aanvraag een besluit wenste te verkrijgen teneinde de geldigheid van de Kampeerverordening 2013 of bepaalde delen daarvan te bestrijden, maakt niet dat zij als belanghebbende had moeten worden aangemerkt of de brief van 30 januari 2014 als besluit had moeten worden aangemerkt. Voorts is haar situatie, waarin een ontheffing die is verleend op grond van een oude wettelijke regeling, op grond van overgangsrecht geldt als een vergunning als bedoeld in een nieuwe wettelijke regeling, niet anders dan de situatie waarin een ontheffing is verleend op grond van een wettelijke regeling die nadien wordt aangepast. Ook in het laatstgenoemde geval bestaat geen belang bij het verlenen van een nieuwe ontheffing.

[appellant A] heeft daarom geen belang bij haar verzoek om verlening van een vergunning voor het kampeerterrein.

Het betoog faalt.

6. [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft onderkend dat haar aanvraag voor een vergunning van 29 oktober 2013 tevens een bezwaar tegen de Kampeerverordening 2013 was. Die verordening is wegens het overgangsrecht dat is vervat in artikel 11 van de Kampeerverordening 2013 deels een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen wel bezwaar en beroep openstaat. Haar bezwaar was bovendien tijdig, omdat dat is gemaakt enkele dagen nadat de materiële bepalingen van die verordening van kracht werden. Het college had haar aanvraag dan ook in zoverre moeten doorsturen aan de raad van de gemeente Veere, aldus [appellant A]. Verder is de Kampeerverordening 2013 inmiddels vervangen door de Kampeerverordening 2015, zodat het bezwaar tegen de eerstgenoemde verordening ook tegen de laatstgenoemde verordening gericht moet worden geacht.

6.1. Niets in de aanvraag biedt aanleiding die ook te zien als bezwaar tegen de Kampeerverordening 2013, zodat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden om het beroep tegen het besluit van 8 april 2014 op dit punt gegrond te verklaren.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Reuveny

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015

622.