Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201502061/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:1219, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502061/1/A3.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 maart 2015 in zaak nr. 14/3409 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2014 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie afgewezen.

Bij besluit van 23 september 2014 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft toestemming geweigerd, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2015, waar [appellant], en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Schoondermark-van Nuenen, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg (PB 2010, C 83/02, hierna: het Handvest), heeft een ieder recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens.

Ingevolge het tweede lid moeten deze gegevens eerlijk, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet worden verwerkt. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, zijn de bepalingen van dit Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

Ingevolge het tweede lid breidt dit Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp), heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: het WvSv) wordt de kennisneming van de processtukken de verdachte op dienst verzoek tijdens het voorbereidende onderzoek verleend door de officier van justitie.

Ingevolge artikel 365, vierde lid, verstrekt de voorzitter desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal van de terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken.

Ingevolge het vijfde lid zijn onder het vonnis begrepen de documenten die aan de uitspraak zijn gehecht. Van andere tot het strafdossier behorende documenten wordt geen afschrift of uittreksel verstrekt.

1. Bij brief van 12 mei 2014 heeft [appellant] de korpschef op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van "alle documenten waar de door hoofdagent Roovers gestelde belaging in mijn A.H. blijkt".

Bij besluit van 23 september 2014 heeft de korpschef zijn besluit tot afwijzing van het verzoek gehandhaafd. De korpschef heeft daarbij artikel 365 van het WvSv van toepassing geacht, dat volgens hem een bijzondere uitputtende openbaarmakingsregeling bevat die derogeert aan de Wob. Nu het verzoek betrekking heeft op documenten die onderdeel uitmaken van een dossier dat is voorgelegd aan de strafrechter is de Wob niet van toepassing, aldus de korpschef.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn verzoek geen betrekking heeft op documenten die zijn opgenomen in een strafdossier, maar op documenten waaruit de gestelde belaging kon blijken. De rechtbank heeft derhalve geen uitspraak gedaan over het door hem ingediende verzoek, aldus [appellant].

2.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van informatie betreffende een onderzoek waarin hij verdachte is en dat artikel 356, vierde lid, van het WvSv, betrekking heeft op verstrekking informatie aan een ieder ander dan de verdachte. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak in verband met het volgende.

2.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 18 juni 1985, zaak nr. R01.85.1457/S 323, AB 1985, 619, overweegt de Afdeling dat in artikel 30 van het WvSv een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking vervat, die aan de Wob derogeert.

De korpschef heeft medegedeeld dat alle documenten waaruit de gestelde belaging al dan niet kon blijken op 5 september 2013 zijn gevoegd bij een dossier dat reeds aan de strafrechter was voorgelegd, zodat die documenten onderdeel zijn gaan uitmaken van het strafdossier. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mededeling onjuist is. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat deze door [appellant] verzochte documenten onderdeel zijn gaan uitmaken van een dossier dat aan de strafrechter is voorgelegd, zodat de Wob op deze documenten niet van toepassing is en de korpschef terecht openbaarmaking daarvan heeft geweigerd.

[appellant] heeft ter zitting betoogd dat er nog documenten berusten bij de korpschef over de gestelde belaging die geen deel uitmaken van het strafdossier en die derhalve op grond van de Wob openbaar gemaakt dienen te worden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 26 april 2006 in zaak nr. 200509349/1), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. In deze zaak heeft de korpschef medegedeeld dat hij heeft onderzocht of er documenten over de gestelde belaging die geen onderdeel uitmaken van het strafdossier onder hem berusten en dat dit niet het geval is. Deze mededeling komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nog documenten die geen onderdeel uitmaken van het strafdossier onder de korpschef berusten.

Het betoog faalt.

3. Wat betreft het betoog van [appellant] dat het besluit in strijd is met artikel 8, tweede lid, van het Handvest en daarom tevens in strijd is met artikel 6 van het EVRM, wordt overwogen dat artikel 8 van het Handvest ziet op verwerking van persoonsgegevens. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in de Wbp.

Ingevolge artikel 51 van het Handvest zijn de bepalingen van dit Handvest gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Met de afwijzing van het verzoek om openbaarmaking van informatie waar deze zaak op ziet, wordt geen recht van de Unie ten uitvoer gebracht, aangezien met de Wob noch met artikel 30 van het WvSv het Unierecht wordt omgezet en zich ook anderszins geen juridische situatie voordoet die binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Zie in dit verband de arresten van het Hof van Justitie van 6 maart 2014, C-206/13, Cruciano Siragusa, ECLI:EU:C:2014:126, punten 20, 21, 24, 25, 26 en 29, en van 8 mei 2014, zaak C-483/12, Pelckmans Turnhout NV, ECLI:EU:C:2014:304, punt 22). Derhalve valt het besluit niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest, zodat reeds daarom geen aanleiding bestaat te oordelen dat het besluit in strijd is met artikel 8 van het Handvest en daarmee in strijd is met artikel 6 van het EVRM.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Verheij w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015

280-798.