Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201410140/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het college geweigerd de stichting en omgevingsvergunning te verlenen voor het afbouwen van De molen van Speelman" (hierna: het bouwplan) op het perceel H. Knoopstraat 1 te Sassenheim (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201410140/1/A1.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting De Molen van Sassenheim, gevestigd te Sassenheim, gemeente Teylingen (hierna: de stichting),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2014 in zaak nr. 14/5742 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het college geweigerd de stichting en omgevingsvergunning te verlenen voor het afbouwen van De molen van Speelman" (hierna: het bouwplan) op het perceel H. Knoopstraat 1 te Sassenheim (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 29 oktober 2014 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2015, waar de stichting, vertegenwoordigd door A.M. van der Elst en R. Heppener, bijgestaan door mr. A.K. Koornneef, advocaat te Lisse, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M. Rietveld en ing. K.E. van der Meulen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te 's-Gravenhage, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het afbouwen van de zogenoemde molen van Speelman op de bestaande molenstomp op het perceel. De molenstomp, die bestaat uit een achtkantige romp van 9 m hoog, zonder bovenbouw en wieken, is blijkens de gedingstukken een overblijfsel van een achtkantige korenstellingmolen, oorspronkelijk daterend uit 1846.

Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd op de grond dat de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan en het college niet bereid is om daarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo toestemming te verlenen. Daarnaast heeft, voor zover de aangevraagde omgevingsvergunning betrekking heeft op de activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en f, van de Wabo, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE) voor het bouwplan, dat een rijksmonument betreft, in een rapport van 12 november 2013 een negatief advies gegeven.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum en Zuid" (hierna: het bestemmingsplan), rust op het perceel de bestemming "Molen (MO)" met de nadere aanduiding "(z)".

Op de plankaart is op het perceel een bouwvlak ingetekend, met daarbuiten voormelde nadere aanduiding "(z)", hetgeen "zonder gebouwen" betekent.

Ingevolge artikel 1, onder 4, van de planvoorschriften, wordt onder "bouwvlak" verstaan: een aaneengesloten oppervlakte met één bestemmingsaanduiding voorzien van een hoogte-aanduiding en/of een percentage waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, zijn de als zodanig op de kaart aangewezen gronden bestemd voor een molen alsmede voor sociaal-culturele doeleinden.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a. op de gronden met de nadere aanduiding (z) mag niet worden gebouwd;

c. het grondoppervlak van de molen mag ten hoogste gelijk zijn aan het grondoppervlak zoals dit aanwezig is op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.

3. De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voert daartoe aan dat naar haar mening de voor het perceel geldende bestemmingsplanregeling de afbouw van de molen toestaat. Volgens de stichting kan die bestemming niet anders worden begrepen dan dat daarbij is beoogd een complete, afgebouwde molen toe te staan en niet slechts de bestaande molenstomp. Dat weliswaar de wieken en de omloop van de molen buiten het bouwvlak steken en de wieken daarnaast met 2m het bestemmingsvlak overschrijden, is planologisch volgens de stichting niet van betekenis. Het toekennen van de bestemming "Molen" aan het perceel is voldoende om aldaar een complete molen te kunnen realiseren, aldus de stichting.

3.1. Uit het bestemmingsplan, dat in 1999 tot stand is gekomen, blijkt niet of met de bestemming "Molen (MO)" is beoogd om ter plaatse van die bestemming een compleet afgebouwde molen mogelijk te maken, dan wel uitsluitend de bestaande molenstomp te bestemmen, zoals die volgens het rapport van de RCE van 12 november 2013 reeds sinds 1882 ter plaatse aanwezig is. Het bestemmingsplan bevat met name geen definitie van het begrip "molen", waaruit de betekenis van de bestemming "Molen (MO)" kan worden afgeleid.

Dit laat onverlet dat, ook als het betoog van de stichting dat is bedoeld om ter plaatse een compleet afgebouwde molen te bestemmen, wordt gevolgd, het bouwplan zoals dit voorligt dient te voldoen aan de bebouwingsvoorschriften zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bouwplan daaraan niet voldoet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Artikel 21, derde lid, aanhef, van de planvoorschriften, bepaalt onder meer dat voor het bouwen binnen de bestemming "Molen (MO)" de aanduidingen op de kaart gelden. Op het bestemmingsvlak "Molen (MO)" is een bouwvlak aangeduid, waarop volgens de hiervoor weergeven definitie van "bouwvlak" gebouwen zijn toegelaten. Op het overige gedeelte van het bestemmingsvlak, buiten het bouwvlak, is de nadere aanduiding "(z)" geplaatst. Daarop mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Niet in geschil is dat de omloop en de wieken van de molen zoals voorzien in het bouwplan, buiten het bouwvlak, boven het gedeelte van het bestemmingsvlak "Molen (MO)" met de nadere aanduiding "(z)" steken. Daar mogen geen gebouwen worden gebouwd. Daarnaast is niet in geschil dat de wieken 2m buiten het bestemmingsvlak "Molen (MO)" steken, en zich boven onder meer de bestemmingen Water, Groenvoorzieningen en Verkeersdoeleinden bevinden, die het bouwplan niet toestaan.

Het bouwplan is daarom in strijd met het bestemmingsplan. Dat zich, zoals de stichting stelt, bij molens elders in het land ook de situatie voordoet dat wieken en omloop buiten het bouwvlak en het bestemmings-vlak steken en dit wel zou zijn toegestaan, maakt niet dat het college in dit geval het bepaalde in het bestemmingsplan niet had mogen toepassen zoals het heeft gedaan. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

4. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat indien het bouwplan toch in strijd met het bestemmingsplan moet worden geacht, het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om daarvoor niettemin een omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij wijst de stichting erop dat zij in het verleden, bij de aankoop van de molen, een overeenkomst met de gemeente heeft gesloten, waarin zij de opdracht heeft aanvaard om de molen voor 31 december 2023 af te bouwen. Het huidige standpunt van het college dat het afbouwen van de molen uit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt ter plaatse ongewenst is, strookt niet met de voormelde overeenkomst en evenmin met het eerdere standpunt van de gemeenteraad ter zake, zoals dit blijkt uit een raadsbesluit van 17 juli 1990. Bij dat besluit heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een gerestaureerde molen ter plaatse stedenbouwkundig niet onaanvaardbaar is, en van dat standpunt is de raad nooit teruggekomen, aldus de stichting.

4.1. De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor een bouwplan dat in strijd is met het bestemmingsplan, is een bevoegdheid van het college. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit in zoverre terughoudend moet worden getoetst.

4.2. Het college heeft blijkens het besluit aan de weigering de omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat realisering van het bouwplan tot een minder gewenste stedenbouwkundige situatie zal leiden, in relatie tot de op korte afstand gelegen woningen in de direct omliggende straten. Het college stelt zich op het standpunt dat daarom geen sprake is van een goede ruimtelijke inpassing van het bouwplan. Daarbij heeft het er tevens op gewezen dat de gemeenteraad van Teylingen bij besluit van 30 mei 2013 heeft geweigerd om het bestemmingsplan "Molen Speelman Sassenheim", dat beoogde het bouwplan mogelijk te maken, vast te stellen. Ook de raad heeft zich bij dat besluit op het standpunt gesteld dat realisering van het bouwplan uit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is. De raad heeft zich daarbij gebaseerd op een negatief stedenbouwkundig advies van RBOI van 22 mei 1990 en een e-mail van RBOI ter bevestiging daarvan, van 28 augustus 2006. Het college heeft zich achter de argumenten van de raad geschaard.

De Afdeling heeft bij de uitspraak van 23 april 2014 (in zaak nr. 201308930/1/R4), reeds geoordeeld dat gelet op de door de raad gegeven motivering, geen grond bestaat voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Bij dit oordeel heeft de Afdeling tevens de door de stichting bedoelde, in het verleden tussen haar en de gemeente gesloten overeenkomst betrokken.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college, gelet op de door hem gegeven motivering, in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, omgevingsvergunning te verlenen. Daartoe wordt voorts nog het negatieve advies van de RCE van 12 november 2013 van belang geacht.

De RCE acht, mede gelet op een koerswijziging wat betreft molens, het reconstrueren van nog meer molens om verschillende redenen niet langer nodig en wenselijk.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Kramer w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015

641.