Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3748

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201502000/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:400, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de veehouderij aan de [locatie] te Sprundel (hierna: het perceel) met onder meer twee nieuwe stallen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502000/1/A4.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Sprundel, gemeente Rucphen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2015 in zaken nrs. 14/4042, 14/4043 en 14/4126 in het geding tussen:

[partij A] en anderen, wonend te Sprundel, de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen, en [partij B1] en [partij B2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij B]), wonend te Sprundel

en

het college van burgemeester en wethouders van Rucphen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2014 heeft het college aan [appellante] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de veehouderij aan de [locatie] te Sprundel (hierna: het perceel) met onder meer twee nieuwe stallen.

Bij uitspraak van 22 januari 2015 heeft de rechtbank de door [partij A] en anderen, MOB en [partij B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 15 mei 2014 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[partij A] en anderen, MOB en [partij B] hebben verweerschriften ingediend.

[partij B] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [partij A] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, MOB, eveneens vertegenwoordigd door V. Wösten, en [partij B1] en [partij B2], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het project waarvoor het college bij het door de rechtbank vernietigde besluit van 15 mei 2014 omgevingsvergunning heeft verleend, betreft een uitbreiding van de veehouderij die door [appellante] op het perceel wordt geëxploiteerd. Het project bestaat onder meer uit de bouw van twee nieuwe stallen, aangeduid als stallen 6.4 en 6.5, voor het houden van vleesvarkens en opfokzeugen. Het college heeft, voor zover thans van belang, omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en het gebruiken van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend:

1o met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2o in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3o indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen", zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 15 mei 2014, rust op het perceel de bestemming "Agrarisch".

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels mogen gebouwen op gronden met deze bestemming uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge dat lid en onder a, aanhef en onder c, dient de afstand van een op te richten bedrijfsgebouw tot de as van de weg minimaal 15 m te bedragen.

3. Vast staat dat het project voorziet in de oprichting van een stal op een afstand van minder dan 15 m van de as van de Bosstraat, en dat deze oprichting in strijd is met artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, van de planregels. Om niettemin omgevingsvergunning te kunnen verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en 1o, van de Wabo, in samenhang met artikel 37, lid 37.1.3, van de planregels.

De rechtbank heeft het besluit tot verlening van omgevingsvergunning vernietigd omdat het college volgens haar om afwijking van artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, toe te staan ten onrechte toepassing heeft gegeven aan die bepalingen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank het besluit van 15 mei 2014 ten onrechte heeft vernietigd, nu artikel 37, lid 37.1.3, en artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, aanhef en onder c, van de planregels niet strekken tot bescherming van [partij A] en anderen, MOB en [partij B]. Volgens hem zien deze bepalingen op achtereenvolgens geluidsgevoelige bebouwing en verkeersveiligheid.

4.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser of appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser of appellant.

Aan de vernietiging door de rechtbank van het besluit van 15 mei 2014 ligt ten grondslag dat het project in strijd is met de in artikel 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, van de planregels voorgeschreven minimale afstand van een op te richten bedrijfsgebouw tot de as van de weg, en dat deze strijdigheid niet kon worden weggenomen met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid.

De Afdeling overweegt dat deze planregel betrekking heeft op de inrichting van de openbare ruimte in de directe omgeving van de woningen van [partij A] en anderen en van [partij B]. Geen grond bestaat voor het oordeel dat deze planregel kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen. De rechtbank heeft dan ook terecht in artikel 8:69a van de Awb geen grond gevonden om vernietiging van het besluit van 15 mei 2014 achterwege te laten. De vraag of deze planregel kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van MOB, behoeft daarmee geen afzonderlijke beantwoording meer.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college, teneinde het bouwen van een stal op kortere afstand dan 15 m van de as van de weg in afwijking van artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, van de planregels toe te staan, toepassing kon geven aan artikel 37, lid 37.1.3. Artikel 37 heeft als titel "Algemene bouwregels" en ziet derhalve mede op de in artikel 3, lid 3.2.1 opgenomen bouwregels, aldus [appellante] Verder moet het volgens haar als een kennelijk verschrijving worden beschouwd dat in lid 37.1.3 staat dat afwijking van lid 37.1.2 slechts mogelijk is als het niet gaat om geluidsgevoelige bebouwing. Volgens [appellante] moet in het gehele artikel het begrip "geluidsgevoelig" als niet opgenomen worden beschouwd.

Een interpretatie aan de hand van de kennelijke bedoeling van de planwetgever leidt volgens [appellante] tot de conclusie dat lid 37.1.3 ook kan worden toegepast om afwijkingen van artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, van de planregels toe te staan. [appellante] wijst in dit verband op het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 1998", dat afwijking van de minimale afstand tot de as van de weg mogelijk maakte. Volgens [appellante] wordt bovendien in dit geval voldaan aan de in artikel 37, lid 37.1.3 vermelde criteria om die afwijking toe te staan.

5.1. Ingevolge artikel 37, lid 37.1.1, van de planregels strekt artikel 37 tot de bescherming van de geluidszone rondom lokale en interlokale wegen.

Ingevolge lid 37.1.2 dient voor de geluidsgevoelige bebouwing van de naast wegen gelegen gronden in ieder geval een afstand van 15 m uit de as van de weg in acht te worden genomen.

Ingevolge lid 37.1.3 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 37.1.2 voor het toestaan van een kortere afstand tot de weg, met dien verstande dat de verkeersveiligheid blijft gewaarborgd en het geen geluidsgevoelige objecten betreft in het kader van de Wet geluidhinder.

5.2. Artikel 37, lid 37.1.2, heeft uitsluitend betrekking op geluidsgevoelige bebouwing. Voor het oordeel dat de term "geluidsgevoelige" in artikel 37, lid 37.1.2 als kennelijke verschrijving moet worden aangemerkt, bestaat geen grond. Onderdeel 37.1 van artikel 37 heeft blijkens de titel betrekking op afstanden tot geluidsgevoelige bebouwing, terwijl bovendien in lid 37.1.1 tot uitdrukking is gebracht dat artikel 37 strekt tot bescherming van geluidszones.

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden om de op te richten stallen aan te merken als geluidsgevoelige bebouwing als bedoeld in artikel 37, lid 37.1.2 van de planregels. Dat betekent dat de bouw van de stallen op minder dan 15 m van de as van de weg niet in strijd is met die bepaling. Afwijking van die bepaling met toepassing van lid 37.1.3 kan in zoverre daarom niet aan de orde zijn.

Wat betreft het betoog van [appellante] dat met toepassing van lid 37.1.3 kan worden afgeweken van andere bepalingen dan het in dat lid genoemde lid 37.1.2, waaronder het onder 3 genoemde artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, wordt overwogen dat daarvoor, gelet op de tekst van lid 37.1.3, geen grond bestaat.

De rechtbank heeft gezien het vorenoverwogene terecht overwogen dat het college in dit geval geen toepassing kon geven aan artikel 37, lid 37.1.3.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt subsidiair dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels het college de bevoegdheid biedt om af te wijken van artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c. Zij voert daartoe aan dat de ligging van de bouwgrens mede wordt bepaald door de voorgeschreven afstand tot de as van de weg.

6.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden opgericht. Daarnaast gelden de onder a tot en met d van dit lid opgenomen specifieke regels.

Ingevolge lid 3.3.1 kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 voor het overschrijden van de bouwgrens.

Ingevolge artikel 1, lid 1.42, wordt onder bouwgrens verstaan: de grens van een bouwvlak.

Ingevolge lid 1.45 wordt onder bouwvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

6.2. Gelet op artikel 3, lid 3.2.1, mogen bouwwerken worden opgericht binnen het op de kaart weergegeven bouwvlak. Vast staat dat de stallen zijn voorzien op gronden binnen het bouwvlak, en derhalve binnen de bouwgrenzen, zoals omschreven in artikel 1, lid 1.42. Met de bouw van de stallen wordt de bouwgrens mitsdien niet overschreden, zodat toepassing van artikel 3, lid 3.2.1, dat het mogelijk maakt om van de bouwgrens af te wijken, niet aan de orde is. Geen grond bestaat voor het oordeel dat met toepassing van deze bepaling kan worden afgeweken van de specifieke regels van lid 3.2.1, onder a tot en met d, in gevallen dat een bouwwerk, hoewel voorzien binnen het bouwvlak, niet aan die regels voldoet. Weliswaar kan, indien aan deze specifieke regels niet wordt voldaan, niet binnen het gehele bouwvlak worden gebouwd, maar dat betekent niet, zoals [appellante] stelt, dat de bouwgrens in een dergelijk geval ligt ter plaatse van de lijn waar voldaan wordt aan de in lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder c, voorgeschreven afstand van 15 m tot de as van de weg

De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niettemin met toepassing van artikel 3, lid 3.3.1, afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a, aanhef en onder c, kan toestaan.

Het betoog faalt.

7. [partij B] betoogt in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het project tevens in strijd is met artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder d, van de planregels. Volgens hem blijkt uit de tot de aanvraag behorende bouwtekening niet dat het project op ten minste 5 m van de perceelsgrens is geprojecteerd.

7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder d, van de planregels dient de afstand van een op te richten bedrijfsgebouw tot de perceelsgrenzen minimaal 5 m te bedragen.

7.2. Op de tot de aanvraag behorende bouwtekening, die een schaal heeft van 1:2000, is de plaats van de op te richten stallen aangegeven. Gelet op de schaal is aan de hand van de bouwtekening een feitelijke afstand van 5 m niet goed te bepalen. Het college heeft ter zitting van de rechtbank een digitale verbeelding getoond, op grond waarvan de rechtbank heeft geconstateerd dat de afstand tussen de stallen en de dichtstbijzijnde perceelsgrens 5,37 m bedraagt. In hetgeen [partij B] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze constatering. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het project tevens in strijd is met artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en onder d, van de planregels.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep van [appellante] en het incidenteel hoger beroep van [partij B] zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015

163-727.