Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201502892/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:1100, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 27 juni 2014 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat diens verzoek om schadevergoeding is verjaard en hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij door een onrechtmatige daad van de Belastingdienst schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502892/1/A2.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/4736 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Financiën.

Procesverloop

Bij brief van 27 juni 2014 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat diens verzoek om schadevergoeding is verjaard en hij evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij door een onrechtmatige daad van de Belastingdienst schade heeft geleden.

Bij besluit van 22 september 2014 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2015, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.H. Jacobs, werkzaam bij het Ministerie van Financiën, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft de Belastingdienst per e-mail verzocht om een schadevergoeding van € 5.000.000,00. Volgens hem heeft de Belastingdienst, ondanks dat hij de dienst daarom meermaals heeft verzocht, nagelaten onderzoek te doen naar een grootschalige fraude waardoor onder meer hij financieel gedupeerd is. De Belastingdienst heeft dit verzoek ter verdere afhandeling doorgezonden aan de staatssecretaris.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar tegen de brief van 27 juni 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat die brief geen voor bezwaar vatbaar besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

3. [appellant] geeft in het hogerberoepschrift een uiteenzetting over de door hem vermeende fraude en zijn schadevordering. Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak wordt echter niet toegekomen indien voormeld oordeel van de rechtbank juist is. De Afdeling zal daarom eerst dat oordeel toetsen.

3.1. Uit artikel 8:1 gelezen in verbinding met artikel 7:1 van de Awb volgt dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van die wet. Volgens die bepaling wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het niet verrichten van onderzoek door de Belastingdienst naar de door [appellant] gestelde fraude geen publiekrechtelijke rechtshandeling is, maar is aan te merken als feitelijk handelen dan wel nalaten daartoe, welk handelen of nalaten niet is gericht op rechtsgevolg. Tegen dergelijk handelen of nalaten kan geen bezwaar worden gemaakt. Dit betekent dat ook tegen de beslissing op een verzoek om een vergoeding van beweerdelijk geleden schade als gevolg van dat handelen, zoals neergelegd in de brief van 27 juni 2014, geen bezwaar kan worden gemaakt.

Het oordeel van de rechtbank is derhalve juist, zodat voor een inhoudelijke behandeling van de zaak bij de Afdeling geen plaats is. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, kan [appellant] zich met zijn schadevordering desgewenst wenden tot de burgerlijke rechter.

4. Aangezien de brief van 27 juni 2014 geen voor bezwaar vatbaar besluit is en de staatssecretaris het bezwaar daartegen daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan in het midden blijven of [appellant] tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen die brief.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Koeman w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015

611.