Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2015
Datum publicatie
09-12-2015
Zaaknummer
201501052/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een tegemoetkoming in planschade van € 6.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en het betaalde recht, toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501052/1/A2.

Datum uitspraak: 9 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2014 in zaak nr. 14/1410 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een tegemoetkoming in planschade van € 6.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en het betaalde recht, toegekend.

Bij besluit van 5 februari 2014 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 februari 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. van Dekken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende B] als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. [belanghebbende] is eigenaar van een woning gelegen aan de [locatie 1] te [plaats]. Bij brief van 12 april 2012 heeft hij verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO door het college op 14 april 2009 (hierna: de peildatum) verleende vrijstelling van het bestemmingsplan "Kern Nieuw Loosdrecht" (hierna: het bestemmingsplan) voor het bouwen van 15 woningen op het ten oosten en zuiden van zijn perceel gelegen perceel [locatie 2] (hierna: het projectgebied). In het bestemmingsplan was het projectgebied aangewezen voor "Woondoeleinden", "Tuinen", "Erven" en "Groenvoorzieningen".

2. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan het Kenniscentrum voor Overheid en Bestuur. Deze heeft in een advies van 7 januari 2013 geconcludeerd dat [belanghebbende] als gevolg van de planologische verandering in een nadeliger positie is komen te verkeren en de waarde van de woning op de peildatum van € 315.000,00 naar € 302.000,00 is gedaald. Voorts wordt in het advies uiteengezet dat de planologische wijziging voor [belanghebbende] niet voorzienbaar was ten tijde van de aankoop van de woning. Verder is in het advies vermeld dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, zodat een gedeelte van de schade, gelijk aan twee procent van de waarde van de woning onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, voor rekening van [belanghebbende] dient te worden gelaten.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 7 mei 2013 ten grondslag gelegd en dit besluit in bezwaar, onder verwijzing naar een naar aanleiding van het bezwaar opgesteld aanvullend advies van het Kenniscentrum van 31 december 2013, gehandhaafd.

[appellante] heeft met de gemeente een overeenkomst gesloten tot verhaal van planschadekosten die voortvloeien uit het bouwplan.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 februari 2014 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat het nadere advies van het Kenniscentrum van aanmerkelijk belang is geweest voor het besluit en dit advies niet aan [appellante] is voorgelegd en de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat de overige beroepsgronden falen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 5 februari 2014 in stand heeft gelaten. [appellante] voert daartoe aan dat de rechtbank daarmee het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden omdat hem de mogelijkheid is ontnomen dat bij het besluit op bezwaar rekening wordt gehouden met haar commentaar op het nadere advies van het Kenniscentrum van 9 januari 2014. Bovendien stelt de rechtbank volgens [appellante] ten onrechte dat zij voldoende gelegenheid heeft gehad om te reageren op dat advies. [appellante] heeft weliswaar in beroep de gelegenheid gehad te reageren op het nadere advies door middel van een advies van adviesbureau Kraan en De Jong van 17 juli 2014, maar de brief van het Kenniscentrum van 14 augustus 2014 die het college in reactie hierop aan de rechtbank heeft verzonden is in strijd met de goede procesorde buiten de termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend, waardoor zij niet in de gelegenheid is geweest hierop te reageren.

4.1. De brief van het Kenniscentrum van 14 augustus 2014 is op 18 augustus 2014 en daarmee één dag buiten de termijn van artikel 8:58 van de Awb door de rechtbank ontvangen. Het is echter, gelet op de omvang en inhoud ervan, niet in strijd met de goede procesorde ingediend. De rechtbank heeft dit stuk derhalve terecht in het geding betrokken. Nu [appellante] in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad om op het advies van het Kenniscentrum van 9 januari 2014 te reageren heeft de rechtbank voorts terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 5 februari 2014 in stand gelaten.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de toewijzing van een tegemoetkoming in planschade niet op het advies van het Kenniscentrum heeft mogen baseren. Hij voert daartoe aan dat er geen planologisch nadeel is. De woning aan de Vrijheid 102 ligt in een woonomgeving waarin al geluiden van parkeren en verkeer aanwezig zijn en er bestaat vanuit de bestaande woningen al directe inkijk in de tuin en de woning van [belanghebbende]. Voorts is in het advies geen rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan, waardoor op korte afstand van de woning bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden, waarin voorts beroepsuitoefening aan huis toegestaan is en waarbij ook al op korte afstand parkeergelegenheden toegestaan zijn.

5.1. Door de verleende vrijstelling kunnen op kortere afstand van de woning van [belanghebbende] woningen gebouwd worden met een grotere bouwhoogte dan de bijgebouwen die onder het bestemmingsplan mogelijk zijn. Tevens is de realisering van dakterrassen op deze woningen toegestaan. Dit leidt tot intensivering van de bebouwing in en het gebruik van de directe woonomgeving van [belanghebbende], toename van de inkijkmogelijkheden in de woning en de achtertuin waardoor de privacysituatie is verslechterd en het uitzicht vanuit de woning en de achtertuin is aangetast. Hierdoor is planologisch nadeel ontstaan. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college de toewijzing van een tegemoetkoming in planschade op het advies van het Kenniscentrum heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

6. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat het Kenniscentrum in diens advies over de voorzienbaarheid van de planschade ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bij aankoop van de woning bestaande bebouwingsmogelijkheden.

6.1. Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak bij hun beslissing op de aanvraag.

6.2. Het betoog van [appellante] faalt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2014 in zaak nr. 201302351/1/A2) is planschade voorzienbaar indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij gaat het hier om de vraag of de wijziging van de planologische situatie in het projectgebied door het vrijstellingsbesluit ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is nodig dat er een concreet beleidsvoornemen is, dat openbaar is gemaakt. De bebouwingsmogelijkheden ten tijde van de aankoop van de woning spelen daarbij geen rol. Het Kenniscentrum heeft daarmee in het advies dan ook terecht geen rekening gehouden.

7. [appellante] voert voorts aan dat de rechtbank heeft miskend dat een eventuele waardevermindering van de woning valt onder het normaal maatschappelijk risico. [appellante] stelt daartoe dat het bouwplan is te beschouwen als een logische ontwikkeling van de woonwijk. Voorts heeft het Kenniscentrum de vraag of het bouwplan in de ruimtelijke structuur van de omgeving past volgens [appellante] te beperkt uitgelegd en heeft het ten onrechte geoordeeld dat het bouwplan niet past binnen het gevoerde planologische beleid van de gemeente. Het Kenniscentrum heeft verder ten onrechte het standpunt ingenomen dat, gelet op de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot aanvragers woning en de aard en omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel, de schade niet valt onder het normaal maatschappelijk risico, aldus [appellante].

7.1. Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

7.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 29 oktober 2014, in zaak nr. 201311601/1/A2), komt aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, zelfstandige betekenis toe. Alleen die schade wordt vergoed, welke uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gevoerde planologisch beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

7.3. Hoewel niet in geschil dat het projectgebied een inbreidingslocatie is en de bebouwing van inbreidingslocaties in beginsel als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, lag het in dit geval niet in de lijn der verwachtingen dat in het projectgebied met deze mate van verdichting op een dergelijke korte afstand van de woning van [belanghebbende] woningen met deze bouwmassa en drie bouwlagen zouden worden gerealiseerd. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het normaal maatschappelijk risico in dit geval niet uitkomt boven het forfaitaire percentage van 2%.

7.4. Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Poot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015

362-809.