Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
03-12-2015
Zaaknummer
201505871/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Parc Drieën-Huysen, 1e fase" vastgesteld.Bij besluit van 4 juni 2015 is door het college een omgevingsvergunning verleend. Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201505871/1/R6.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Vlaardingen,

en

1. de raad van de gemeente Vlaardingen

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Parc Drieën-Huysen, 1e fase" vastgesteld.

Bij besluit van 4 juni 2015 is door het college een omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 18 december 2014 heeft de raad besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen, de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting Zonnehuisgroep Vlaardingen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2015, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B.B.M. Terwijn, [gemachtigden], en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. S.W. Boot, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Ter zitting is stichting Zonnehuisgroep Vlaardingen, vertegenwoordigd door N.S. Dekker, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting door [appellant] en anderen nog een stuk in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Aan de Willem de Zwijgerlaan 470 in Vlaardingen ligt het verpleeg- en verzorgingstehuis Drieën-Huysen. Volgens de plantoelichting voldoen de zorg- en verpleegplaatsen niet meer aan de huidige zorgeisen. Het is de bedoeling deze zorg- en verpleegplaatsen te slopen en hiervoor in de plaats nieuwbouw te realiseren. Daarbij wordt ook het naastgelegen voormalige korfbalveld betrokken. Het project ‘Parc Drieën-Huysen’ wordt gefaseerd ontwikkeld. Het bestemmingsplan maakt het realiseren van de eerste fase mogelijk: een zorgcomplex voor zwaar zorgbehoevende cliënten en sociale woningbouw in de vorm van aanleunwoningen en een zogenoemde ‘zorgplint’.

De omgevingsvergunning ziet onder meer op het bouwen van bouwwerken, 80 appartementen, zogenoemde aanleunwoningen (verdeeld over de torens 4 en 5), 81 zorgeenheden in toren 8, het veranderen van een weg, en het aanleggen van een nieuwe inrit zowel aan de Holysingel (laad- en los plek en tijdelijke inrit voor bouwverkeer) als aan de Willem de Zwijgerlaan (ontsluiting).

2. [ appellant] en anderen wonen aan de Willem de Zwijgerlaan te Vlaardingen. Hun beroep is niet zozeer gericht tegen de nieuwbouw van het verpleeg- en verzorgingstehuis Drieën-Huysen, maar tegen de in het plan voorziene ontsluitingsweg op de Willem de Zwijgerlaan ten behoeve van de nieuwbouw. Zij vrezen een toename van verkeersdrukte als gevolg daarvan. Zij kunnen zich niet verenigen met die ontsluitingsweg en wensen een volledige ontsluiting op de Holylaan.

Procedureel

3. [ appellant] en anderen stellen dat er ten onrechte geen verkeerstellingen met de bestreden besluiten ter inzage zijn gelegd. De raad heeft pas na het bestreden besluit, bij e-mail van 15 juni 2015, de verkeerstelling uit 2013 toegestuurd.

3.1. De raad stelt dat [appellant] en anderen reeds de beschikking hadden over de tellingen uit 2004 en dat zij inmiddels ook de beschikking hebben over de tellingen uit 2013. Het gehanteerde verkeersmodel is echter niet gebaseerd op de telling uit 2013.

3.2. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het plan

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

verkeersmodel

5. [ appellant] en anderen stellen dat het gehanteerde verkeersmodel dat aan het akoestisch rapport ten grondslag is gelegd, ondeugdelijk is omdat dit niet is gebaseerd op tellingen, terwijl de raad in de nota van zienswijzen heeft gesteld dat om de 3 tot 5 jaar tellingen worden uitgevoerd om het verkeersmodel te actualiseren. Onder verwijzing naar de memo "Second opinion verkeerskundige onderbouwing", van 28 oktober 2015, van Mobycon (hierna: tegenrapport), stellen [appellant] en anderen dat in het bij de onderzoeken gehanteerde verkeersmodel is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten op de Willem de Zwijgerlaan.

Voor zover de verkeerstelling uit 2013 is betrokken bij de besluitvorming, stellen [appellant] en anderen dat deze ondeugdelijk is, omdat de telling slechts op één dag is uitgevoerd. Het is volgens hen onmogelijk om een rapportage op te stellen aan de hand van een dergelijke verkeerstelling.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde verkeersgegevens ten behoeve van het akoestisch onderzoek uit het gemeentelijke verkeersmodel komen. Het is gemeentelijk beleid dit verkeersmodel te hanteren bij ruimtelijke besluiten. Het gemeentelijk verkeersmodel is ontwikkeld door Royal Haskoning DHV en is op 16 maart 2005 als onderdeel van het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan 2005-2015 "Kwaliteit in Bereikbaarheid" (hierna: GVVP) door de raad vastgesteld. Het model is in 2009 geactualiseerd. Tot 2005 was Vlaardingen aangewezen op de Regionale Verkeers Milieu Kaart (RVMK), maar dit model gaf te grove berekeningen voor Vlaardingen.

De raad stelt dat om de 3 tot 5 jaar verkeerstellingen worden uitgevoerd om het verkeersmodel te actualiseren, maar dat dit niet betekent dat elke keer in alle straten tellingen worden uitgevoerd. Op de Willem de Zwijgerlaan zijn in 2004 en 2013 tellingen uitgevoerd. De verkeersgegevens uit het model zijn vergeleken met de in 2013 uitgevoerde tellingen. Daaruit bleek volgens de raad dat het beeld consistent is en het model zelfs een hogere verkeersbelasting laat zien dan de uitkomsten van de tellingen. In de besluiten is derhalve uitgegaan van een zogenoemd worst-case scenario.

5.2. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat de verkeerstelling uit 2013 ondeugdelijk is, omdat deze op één dag is uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat op het desbetreffende document staat dat de telling is uitgevoerd van 15 september 2013 t/m 1 oktober 2013. De telling ziet derhalve niet op één dag.

De Afdeling overweegt dat modellen noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven. De validiteit van een model wordt pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid. In aanmerking genomen dat een vergelijking van de gegevens uit het gemeentelijk verkeersmodel een hogere verkeersbelasting laat zien dan de uitkomsten van de tellingen uit 2013, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het model een onderschatting laat zien van de werkelijkheid, dan wel dat het model geen goede weergave zou geven van de te verwachten werkelijkheid. Dat niet elke keer overal wordt geteld, maakt op zichzelf niet dat het gehanteerde verkeersmodel ondeugdelijk is.

Het betoog faalt.

6. [ appellant] en anderen stellen dat geen deugdelijk onderzoek is uitgevoerd naar de toename van verkeer op de Willem de Zwijgerlaan als gevolg van het plan. Onder verwijzing naar het tegenrapport voeren zij aan dat in de verkeerskundige onderbouwing van het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een weekdaggemiddelde in plaats van een werkdaggemiddelde en dat alleen is gerekend met kencijfers die behoren bij de functie "aanleunwoning en serviceflat", terwijl er ook specifieke kencijfers voor zorgeenheden in verpleeg- en verzorgingstehuizen bestaan. Bij juiste toepassing van de kencijfers en rekenmethodiek van het CROW had rekening gehouden moeten worden met een toename van 179 - in plaats van 56 motorvoertuigbewegingen per etmaal ten gevolge van het plan, aldus [appellant] en anderen. Hierdoor zal de verkeersveiligheid op de Willem de Zwijgerlaan afnemen, de doorstroming verder stagneren en de geluidbelasting op de gevels van de woningen toenemen. De afweging van belangen met betrekking tot de ontsluitingsweg op de Willem de Zwijgerlaan is onzorgvuldig geweest, aldus [appellant] en anderen. Zij wensen een ontsluiting op de Holysingel.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de keuze voor een ontsluiting op de Willem de Zwijgerlaan overeenkomstig gemeentelijk beleid is en dat het plan tot een geringe toename van het aantal vervoersbewegingen zal leiden. De verkeerssituatie zal door deze geringe toename niet noemenswaardig verslechteren, aldus de raad.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat het kencijfer voor zorgeenheden in verpleeg- en verzorgingstehuizen waar [appellant] en anderen naar verwijzen niet ziet op de verkeersgeneratie per woning, maar op parkeerkencijfers per woning. CROW-publicatie 317 kent voor de zorg alleen parkeerkencijfers. Zorg is erg divers, dus het is lastig om te bepalen hoeveel verkeer dit zal generen. In het verkeersonderzoek voor het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan is daarom voor alle in het plan voorziene wooneenheden aangesloten bij het kencijfer voor de functie "aanleunwoning en serviceflat". De raad stelt voorts dat bezoek voornamelijk in het weekend wordt verwacht en dat daarom in het verkeersonderzoek is uitgegaan van een weekdaggemiddelde. Een werkdaggemiddelde zou in dit geval niet representatief zijn, aldus de raad.

Het deel van de Willem de Zwijgerlaan waar de ontsluitingsweg is voorzien, is een erftoegangsweg waar 30 km per uur is toegestaan. Ingevolge de Wet geluidhinder is geen geluidonderzoek vereist op wegen waar een snelheid van 30 km per uur geldt. Desondanks is aanvullend geluidonderzoek uitgevoerd voor de woningen aan de Willem de Zwijgerlaan. Dat onderzoek heeft uitgewezen dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen van [appellant] en anderen als gevolg van fase 1 van het project nauwelijks toeneemt. Het betreft een toename van 0,1 dB op één woning. Het woon- en leefklimaat wordt door het project niet negatief beïnvloed, aldus de raad.

6.2. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is weergegeven in het rapport "Project "Parc Drieën-Huysen" in Vlaardingen; onderzoek Wet geluidhinder", van Caubergh-Huygen, van 4 augustus 2014 (hierna: geluidrapport).

Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is verkeersonderzoek uitgevoerd dat is weergegeven in de Memo "Verkeerscijfers Parc Drieën-Huysen, verkeersgeneratie en -intensiteiten", van Royal Haskoning DHV, van 24 september 2014 (hierna: verkeersonderzoek 1e fase).

6.3. Op p. 3 van het verkeersonderzoek 1e fase staat dat de verkeersgeneratie ten gevolge van het plan is berekend op basis van de online Rekentool Verkeersgeneratie en Parkeren van CROW (nationaal kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) aan de hand van de kengetallen uit de CROW-publicatie 317. Daarbij is de verkeersgeneratie berekend met kenmerk "rest bebouwde kom", de verplaatsingen van en naar de woning zijn berekend op basis van verschillende typen woningen en voor het vrachtverkeer is gerekend met een gemiddelde verkeersgeneratie van 0,02 per woning per etmaal. In dit onderzoek is voor alle te bouwen wooneenheden het kengetal 2,4 gehanteerd voor het bepalen van de verkeersgeneratie. Voor de verkeersaantallen is uitgegaan van een zogenoemd "worst-case-scenario".

In hoofdstuk 3.7 van de CROW-publicatie 317 " Hoofdgroep gezondheidszorg en (sociale)voorzieningen", zijn ten behoeve van een verpleeg- en verzorgingstehuis alleen parkeerkencijfers opgenomen, maar geen kencijfers voor het bepalen van de verkeersgeneratie. Voorts staat er dat bij het toepassen van deze cijfers een forse marge in acht moet worden genomen.

De raad heeft welbewust ervoor gekozen om in het verkeersonderzoek voor het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van het plan aan te sluiten bij de kencijfers voor de functie "aanleunwoning en serviceflat". Nu de CROW-publicatie geen kencijfers voor het bepalen van de verkeersgeneratie als gevolg van een verpleeg- en verzorgingstehuis bevat, heeft de raad dit in redelijkheid kunnen doen. Voorts heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat de bestaande en nieuwe zorg vooral tot bezoek in het weekend zal leiden. De raad heeft daarom een weekdaggemiddelde verkeersintensiteit representatief kunnen achten. Met hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd over de kencijfers en het weekdaggemiddelde hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat het verkeersrapport 1e fase zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad zich bij de besluiten hierop niet heeft mogen baseren. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich aan de hand van het verkeersrapport 1e fase niet op het standpunt heeft mogen stellen dat dit voldoende inzicht biedt in de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie en de veiligheid op de Willem de Zwijgerlaan.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich aan de hand van het verkeersonderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verkeerstoename van 56 motorvoertuigen (hierna: mvt) per etmaal op de Willem de Zwijgerlaan als gevolg van dit plan zo gering is, dat dit niet tot verkeersonveilige situaties zal leiden, dan wel dat anderszins een onaanvaardbare situatie zal ontstaan.

Het betoog faalt.

7. [ appellant] en anderen betwisten dat de verkeersintensiteiten op de Willem de Zwijgerlaan passend zijn bij de functie van de weg. De landelijke richtlijn CROW-publicatie 230 "ontwerpwijzer fietsverkeer" geeft volgens hen aan dat op erftoegangswegen zonder fietspaden of fietsstroken de maximaal acceptabele hoeveelheid autoverkeer 4000 mvt per werkdagetmaal is. Deze norm wordt overschreden, aldus [appellant] en anderen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Willem de Zwijgerlaan duurzaam veilig is ingericht volgens richtlijnen van de CROW. Voor erftoegangswegen geldt een bandbreedte van 4.000 - 6.000 mvt per etmaal. In het GVVP is het eerste deel van de Willem de Zwijgerlaan, ten zuiden van het plangebied, gecategoriseerd als gebiedontsluitingsweg met een toegestane snelheid van 50 km per uur. Alleen op dit deel is sprake van een relatief hoge verkeersintensiteit, maar dit is gezien de functie van de weg ook toegestaan, aldus de raad.

Verderop de erftoegangsweg neemt de verkeersintensiteit af en ter hoogte van het plangebied wordt de CROW-bandbreedte van 4.000 mvt per etmaal niet gehaald. Herinrichting met fietspaden of fietsstroken is niet aan de orde. Bovendien is over een groot aantal wegen in de gemeente overleg geweest met de politie in het kader van "Duurzaam veilige weginrichting". Over de veiligheid van de Willem de Zwijgerlaan had de politie geen opmerkingen, aldus de raad.

7.2. In het verkeersonderzoek 1e fase staat dat er volgens het gemeentelijk verkeersmodel ter hoogte van het plangebied 1674 mvt per etmaal rijden. Voorts dat de autonome situatie op de Willem de Zwijgerlaan ter hoogte van de eerste inrit van het plangebied in 2024 tot een weekdaggemiddelde maximum etmaalintensiteit van 1958 mvt per weekdagetmaal zal leiden. Als gevolg van het plan leidt dit tot 2014 mvt per weekdagetmaal. Gelet op deze aantallen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeerstoename als gevolg van dit plan passend zijn bij de functie van de Willem de Zwijgerlaan.

Het betoog faalt.

8. Voor zover [appellant] en anderen zich in het beroepschrift hebben beperkt tot het verwijzen naar, dan wel het herhalen van de door hen over de ontwerpen van de besluiten naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat verweerders in de nota van zienswijzen gemotiveerd zijn ingegaan op deze zienswijzen. [appellant] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen onvoldoende of onjuist zou zijn. De beroepsgronden tegen het bestemmingsplan treffen geen doel.

9. Het beroep tegen het bestemmingsplan is ongegrond.

De omgevingsvergunning

10. Nu [appellant] en anderen tegen de omgevingsvergunning geen specifieke gronden hebben aangevoerd, is het beroep daartegen ook ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Heinen, griffier.

w.g. Koeman w.g. Heinen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

632.