Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201507132/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:6337, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201507132/1/V3.

Datum uitspraak: 27 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 september 2015 in zaak nr. 15/15614 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 september 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2002 in zaak nr. 200105956/1, heeft overwogen dat de bewaring wegens strijd met artikel 94, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met ingang van 3 september 2015 dient te worden opgeheven, nu de omstandigheid dat de telehoorverbinding niet naar behoren werkte niet voor risico van de vreemdeling behoort te komen en het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling op 3 september 2015, de dag waarop de termijn als bedoeld in voormeld artikel zou eindigen, te horen.

De staatssecretaris voert daartoe aan dat, hoewel de telehoorverbinding niet deugdelijk en steeds kortdurend is geweest, er (beeld)verbinding is geweest tussen de zittingszaal, waar de gemachtigde van de vreemdeling zich bevond, en de telehoorruimte, waar de vreemdeling en zijn tolk aanwezig waren. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft de rechter uitgelegd dat de camera's niet goed werkten en heeft de tolk te kennen gegeven dat de vreemdeling zenuwachtig werd, aldus de staatssecretaris. Uit het vorenstaande kan, naar de staatssecretaris onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2001 in zaak nr. 200102532/1 betoogt, worden geconcludeerd dat tijdig een aanvang is gemaakt met het onderzoek ter zitting. Nu in de Vw 2000 de toepasselijkheid van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb niet is uitgesloten, is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat de termijn als bedoeld in artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 zou worden geschonden, aldus de staatssecretaris.

1.1. Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord.

Ingevolge artikel 8:64, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het onderzoek ter zitting schorsen en kan zij daarbij bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat.

1.2. De vreemdeling heeft op 20 augustus 2015 beroep ingesteld tegen zijn inbewaringstelling. De rechtbank heeft de vreemdeling in persoon opgeroepen om vanuit het detentiecentrum Rotterdam door middel van telehoren te worden gehoord op de zitting van 2 september 2015. Naar uit de uitspraak blijkt, zat de vreemdeling op die dag samen met de tolk in het detentiecentrum klaar om te worden gehoord. De rechtbank heeft na aanvang van de zitting geconstateerd dat de telehoorverbinding niet steeds naar behoren bleef functioneren en uiteindelijk geheel wegviel.

1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer voormelde uitspraak van 4 juli 2001 en de uitspraken van 15 juli 2009 in zaak nr. 200904321/1/V3 en 17 december 2009 in zaak nr. 200908930/1/V3) is in de Vw 2000 de toepasselijkheid van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb niet uitgesloten. Voorts strekt artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 er niet toe dat het onderzoek ter zitting van de rechtbank uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dient te worden gesloten. Nadat met het onderzoek ter zitting een aanvang is gemaakt, kan de rechtbank beslissen om het onderzoek ter zitting te schorsen en het op een later tijdstip voort te zetten, mits de vreemdeling binnen een redelijke termijn alsnog in persoon kan worden gehoord.

1.4. De rechtbank heeft, gezien de hiervoor onder 1.2. weergegeven gang van zaken, op 2 september 2015, de dertiende dag na ontvangst van het beroepschrift, in aanwezigheid van de vreemdeling en zijn tolk in de telehoorruimte en de gemachtigde van de vreemdeling en die van de staatssecretaris in de zittingszaal, tijdig een aanvang gemaakt met het door artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 voorgeschreven onderzoek ter zitting. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat de vreemdeling niet binnen een redelijke termijn alsnog in persoon kon worden gehoord, heeft de rechtbank in het licht van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb en voormelde Afdelingsjurisprudentie onvoldoende gemotiveerd waarom zij aanleiding heeft gezien het onderzoek ter zitting te sluiten.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 3 september 2015 in zaak nr. 15/15614;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Vonk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015

345-775.