Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201501042/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:17, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen (hierna: de aanvragen) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501042/1/V1.

Datum uitspraak: 23 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 januari 2015 in zaak nr. 14/16279 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, (hierna tezamen: de vreemdelingen) en [referent];

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2014 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen (hierna: de aanvragen) afgewezen.

Bij besluit van 18 juni 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen en de referent gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 januari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen en de referent ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen en de referent, vertegenwoordigd door mr. Y.E. Verkouter, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdelingen beogen verblijf bij de in Nederland woonachtige referent, die, naar niet in geschil is, is geboren op 1 juli 1995 en, naar is gesteld, de zoon is van de vreemdeling. Aan de referent is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend krachtens artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met ingang van 3 januari 2013. De referent heeft op 22 maart 2013 verzocht om een zogenoemd advies voor afgifte van een mvv voor de vreemdeling waarop de staatssecretaris op 26 april 2013 negatief heeft geadviseerd. Vervolgens hebben de vreemdelingen op 12 september 2013 de aanvragen ingediend.

2. Ingevolge artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, kan de staatssecretaris een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de ouders van een vreemdeling indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Pb 2003, L 251, hierna: de Richtlijn), indien die ouders op het tijdstip van binnenkomst van de desbetreffende vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 is verleend.

Volgens artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn wordt onder 'alleenstaande minderjarige' verstaan: een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van de lidstaat is aangekomen.

3. De staatssecretaris heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de referent ten tijde van de indiening van de aanvragen meerderjarig was, dat hij daarom niet voldoet aan artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en dat de aanvraag van de vreemdeling, en de daarvan afhankelijke aanvragen van haar minderjarige kinderen, daarom moeten worden afgewezen.

4. De staatssecretaris betoogt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 volgt dat, nu de referent op het tijdstip van binnenkomst minderjarig was, beoordeeld moet worden of de vreemdelingen op dat moment behoorden tot diens gezin. Volgens de staatssecretaris moet die bepaling zo worden begrepen dat het bestaan van een gezinsband onverlet laat dat verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd krachtens die bepaling niet mogelijk is als de referent meerderjarig is.

5. Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 sluit wat betreft de invulling van het begrip 'alleenstaande minderjarige' aan bij artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn. Laatstgenoemde bepaling gaat voor die invulling uit van het moment van aankomst op het grondgebied van een lidstaat, zij het voor zolang de desbetreffende vreemdeling niet daadwerkelijk onder de hoede staat van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene. Hieruit volgt dat niet reeds het moment van aankomst in de lidstaat bepalend is, maar ook omstandigheden die zich na dat moment voordoen van belang kunnen zijn. De zich na aankomst voordoende omstandigheid dat een alleenstaande minderjarige vreemdeling onder de hoede wordt genomen van een voor hem verantwoordelijke volwassene brengt immers met zich dat hij niet langer binnen het toepassingsbereik van dat begrip valt. Gelet hierop valt niet in te zien dat de omstandigheid dat een vreemdeling na aankomst in Nederland de meerderjarige leeftijd bereikt, buiten beschouwing zou moeten blijven bij de vraag of hij binnen dat toepassingsbereik valt. Nu artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn uitgaat van minderjarigheid en de referent reeds ten tijde van de aanvragen meerderjarig was, heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat hij niet voldoet aan artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014 in zaak nr. 201403190/1/V1, waarnaar de vreemdeling heeft verwezen, heeft geen betrekking op de toepasselijkheid van die bepaling en ziet evenmin op de situatie dat een ouder zijn in Nederland verblijvende meerderjarig kind wil nareizen en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel.

De grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

7. De vreemdelingen en de referent hebben aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de Richtlijn niet van toepassing is omdat de referent rechtmatig verblijf heeft uit hoofde van subsidiaire bescherming. Zij hebben betoogd dat zij reguliere mvv-aanvragen hebben ingediend waarop de Richtlijn van toepassing is.

Het betoog kan de vreemdelingen en de referent niet baten reeds omdat de referent ten tijde van het indienen van de aanvragen geen alleenstaande minderjarige was in de zin van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Richtlijn.

8. De vreemdelingen en de referent hebben voorts aangevoerd dat de referent nog minderjarig was ten tijde van het verzoek om advies voor de afgifte van een mvv en dat de omstandigheid dat de staatssecretaris bij de leeftijdsbepaling uitgaat van de datum van indiening van de aanvraag om verlening van een mvv leidt tot willekeur en ongelijke rechtsposities van minderjarige vreemdelingen omdat die niet in staat zijn keuzes te maken bij het indienen van een aanvraag en niet beschikken over de daarvoor benodigde financiële middelen.

Het betoog laat onverlet dat de referent ten tijde van de indiening van de aanvragen meerderjarig en geen alleenstaande minderjarige was in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Richtlijn, zodat de staatssecretaris niet bevoegd was de verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 te verlenen. Reeds gelet hierop faalt de beroepsgrond.

9. De vreemdelingen en de referent kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat weigering van de gevraagde mvv in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Gelet op de strikte scheiding tussen asiel en regulier die volgt uit de systematiek van de Vw 2000, moet de reikwijdte van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 beperkt worden opgevat, in die zin dat die bepaling geen ruimte biedt voor een verdere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dan de afweging die daarin reeds ligt besloten (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2010 nr. 201001188/1/V1).

10. De vreemdelingen en de referent hebben ten slotte betoogd dat de vreemdelingen reguliere aanvragen om verlening van een mvv hebben ingediend waarop de staatssecretaris ten onrechte niet het op dat moment geldende recht heeft toegepast. Volgens hen heeft de staatssecretaris miskend dat de Richtlijn op reguliere aanvragen wel van toepassing is.

10.1. Ingevolge artikel 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Vw 2000 anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de desbetreffende vreemdeling gunstiger is.

10.2. Op 1 januari 2014 zijn in werking getreden de Wet van 25 november 2013 tot wijziging van de Vw 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening (Stb. 2013, 478) en het Besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vb 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures, Stb. 2013, 580).

10.3. Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, zoals dat artikel luidde op de datum van ontvangst van de aanvragen, voorzag niet in de mogelijkheid van vergunningverlening aan ouders om hun meerderjarig kind, dat in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning asiel, na te reizen. Evenmin voorzag artikel 3.24a van het Vb 2000, zoals dat artikel op die datum luidde, in de mogelijkheid van vergunningverlening aan ouders om zich te herenigen met hun meerderjarig kind dat in het bezit was gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Ook de Richtlijn verplicht daartoe niet. Gelet hierop leidt toetsing aan die bepalingen niet tot het oordeel dat de staatssecretaris de aanvragen ten onrechte heeft afgewezen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 januari 2015 in zaak nr. 14/16279;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Willems

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2015

412.