Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201503678/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Wedde-Wedderheide" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503678/1/R4.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Wedde,

en

de raad van de gemeente Bellingwedde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Wedde-Wedderheide" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door J. Ottens, en de raad, vertegenwoordigd door J.M. Heuff, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Onderwerp van het beroep

2. [appellante] woont aan de [locatie] te Wedde. Haar beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover dit plandeel niet voorziet in een extra bouwvlak op haar perceel. [appellante] heeft de raad in haar zienswijze verzocht een nieuwe bouwkavel op haar gronden tussen de percelen [locatie] en Lageweg 54 mogelijk te maken. Zij voert aan dat dit verzoek verband houdt met haar gezondheidssituatie. Volgens [appellante] kan zij door haar lichamelijke beperkingen haar perceel niet meer goed onderhouden en kan zij vanwege toegenomen zorgkosten ook de kosten van het onderhoud niet meer dragen. Door op een deel van haar perceel een extra bouwkavel met mogelijkheid tot het oprichten van een woning te verwezenlijken, acht zij de kans groter dat zij dit deel kan verkopen. Zij kan dan haar perceel beter onderhouden en de kosten voor het onderhoud van haar perceel verlagen, aldus [appellante].

Formele bezwaren

3. [appellante] betoogt dat het plan ten onrechte voor de tweede maal is vastgesteld zonder dat de wettelijke voorbereidingsprocedure opnieuw is doorlopen.

3.1. Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wedde-Wedderheide" vastgesteld.

Bij raadsvoorstel van 16 december 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders de raad voorgesteld het plan opnieuw, gewijzigd vast te stellen. In het raadsvoorstel is vermeld dat de lijst met wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, waarop de raad zich bij het nemen van het besluit van 2 oktober 2014 conform het advies van de hoorcommissie heeft beoogd te baseren, per abuis niet volledig in de planregels was verwerkt. Hierdoor is niet volledig aan de zienswijze van het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen tegemoetgekomen. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarom voorgesteld het plan te corrigeren door de lijst met wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan alsnog volledig in de planregels te verwerken.

Bij het bestreden besluit heeft de raad het bestemmingsplan "Wedde-Wedderheide" opnieuw, gewijzigd vastgesteld, waarbij de lijst met wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan in de planregels is verwerkt.

3.2. Bij het voor de tweede maal vastgestelde plan is - zoals de raad reeds bij het op 2 oktober 2014 vastgestelde plan beoogde te doen - tegemoetgekomen aan de zienswijze van het college van gedeputeerde staten van de provincie Groningen. In verband daarmee is het plan op enkele onderdelen gewijzigd.

De Afdeling overweegt dat de raad na de vaststelling van het plan waarbij de zienswijze van een derde - abusievelijk - niet of niet geheel is gehonoreerd, alsnog kan besluiten dat deze zienswijze dient te leiden tot een aanpassing van het plan, mits deze aanpassingen naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan wordt vastgesteld.

De wijzigingen betreffen de aanpassing van een aantal planregels aan de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 (hierna: de omgevingsverordening). Deze wijzigingen zijn niet van dien aard dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Gelet hierop bestond voor het opnieuw doorlopen van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geen aanleiding. Het betoog faalt.

4. [appellante] voert aan dat de besluitvorming door de raad onzorgvuldig is verlopen. Zij wijst erop dat de raad gedurende de procedure tot vaststelling van het plan niet kon aangeven in welk beleidsdocument het beleid is neergelegd op grond waarvan nieuwbouwwoningen binnen de gemeente niet zijn toegestaan. Verder betoogt zij dat zij pas enkele dagen voor de hoorzitting bij de hoorcommissie te horen kreeg wanneer deze plaats zou vinden. Ook kreeg zij pas een paar dagen voor de raadsvergadering op 11 september 2014 via derden te horen wanneer deze vergadering zou plaatsvinden. [appellante] stelt tot slot dat zij pas op 2 april 2015 een officiële reactie van de raad op haar zienswijze van 7 april 2014 en op het verslag van de zitting van de hoorcommissie op 25 juni 2014 heeft ontvangen.

4.1. Voor zover [appellante] betoogt dat de raad haar gedurende de procedure tot vaststelling van het plan niet kon aangeven in welk document het beleid tot het niet toestaan van nieuwbouwwoningen binnen de gemeente is neergelegd, overweegt de Afdeling dat van een wettelijke plicht terzake niet is gebleken.

Over het betoog van [appellante] dat zij pas een paar dagen voor de hoorzitting bij de hoorcommissie te horen kreeg wanneer deze plaats zou vinden, overweegt de Afdeling dat de Verordening hoorcommissie 2010 van de gemeente Bellingwedde geen termijnen voor de kennisgeving van een uitnodiging aan de indiener van een zienswijze bevat.

Ten aanzien van de stelling van [appellante] dat zij via derden een paar dagen voor de raadvergadering op 11 september 2014 moest vernemen wanneer deze plaats zou vinden, overweegt de Afdeling dat het onderhavige plan niet tijdens deze raadsvergadering maar op de raadsvergadering van 12 februari 2015 ter vaststelling aan de raad is voorgelegd en dat dit in het Streekblad is aangekondigd.

Voor zover [appellante] aanvoert dat de raad pas op 2 april 2015 een afzonderlijke reactie heeft gegeven op haar zienswijze en op het verslag van de zitting van de hoorcommissie, stelt de Afdeling vast dat in het advies van de hoorcommissie is ingegaan op de zienswijze van [appellante] en dat de raad dit advies bij de vaststelling van zijn besluit heeft betrokken. De Afdeling overweegt verder dat het uitblijven van een afzonderlijke reactie of het laat ontvangen daarvan - wat daar ook van zij - geen gevolgen kan hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

4.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in de door [appellante] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming door de raad onzorgvuldig zou zijn verlopen. Het betoog faalt.

Beleid

5. [appellante] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom gemeentelijk beleid aan de toekenning van een extra bouwvlak op haar perceel in de weg zou staan. Zij wijst erop dat in de plantoelichting de uitgangspunten van dit beleid zijn geformuleerd en dat deze uitgangspunten mogelijkheden bieden om een extra bouwvlak op haar perceel toe te staan. Verder voert zij aan dat het "Regionaal Prestatiekader 2013-2018 Woningmarkt Oost-Groningen" (hierna: het Regionaal Prestatiekader) niet in de weg staat aan het realiseren van een extra bouwkavel op haar perceel. Volgens [appellante] heeft de raad geen rekening gehouden met haar gezondheidstoestand en biedt het genoemde beleid juist vanwege haar gezondheidstoestand mogelijkheden om haar perceel wel een extra bouwvlak toe te kennen.

5.1. De raad stelt dat hij beleid hanteert om geen extra woningen toe te staan. Dit beleid is ingegeven door het feit dat het aantal inwoners in de regio Oost-Groningen, waaronder de gemeente Bellingwedde, terugloopt. De raad wijst erop dat hij bezig is met het ontwikkelen van een woonvisie. In deze woonvisie zal onder meer worden ingegaan op het potentiële overschot van 200 woningen binnen de gemeente richting het jaar 2030. Gelet op de krimp van het aantal inwoners en het genoemde overschot aan woningen gaat de raad terughoudend om met het ontwikkelen van nieuwbouwlocaties. De raad wil geen bouwmogelijkheden toekennen die elders binnen de gemeente zullen zorgen voor leegstand of die de kans lopen om niet gerealiseerd te worden.

5.2. In paragraaf 4.3.2 van de plantoelichting is vermeld dat het behoud van de woonfunctie een belangrijk uitgangspunt is van het plan. De bestaande woningen worden daarom als zodanig bestemd. Het plan biedt ruimte voor kwaliteitsverbetering en aanpassing van woningen aan de eisen van de tijd. Daarmee wordt volgens de plantoelichting ruimte geboden om in te spelen op veranderende behoeftepatronen. Een zekere uitbreiding van woningen is dus mogelijk, mits passend in het bebouwingspatroon en mits de bewoningssituatie dat toelaat.

Verder is vermeld dat het plan, gezien zijn karakter van beheerplan, niet voorziet in een uitbreiding van de woningvoorraad. Toekomstige ontwikkelingen van nieuwe dan wel te slopen woningbouw worden kwantitatief en kwalitatief in het gemeentelijk woonbeleid ingepast. Dit ter uitwerking van de regioafspraken in het kader van het Regionaal woon- en leefbaarheidsplan Oost-Groningen. Afstemming vindt voorts plaats op de omgevingsverordening.

5.3. In het Regionaal Prestatiekader is als opgave geformuleerd dat het regionaal woningmarktbeleid zich moet richten op de verbetering en vernieuwing van de bestaande voorraad, het waar nodig aanvullen van deze voorraad met segmenten waar vraag naar ontstaat die niet in de bestaande voorraad kunnen worden bediend, het bevorderen van doorstroming en keuze, en het behoud van evenwicht tussen vraag en aanbod in een stabiliserende en op termijn krimpende vraag. Door kwalitatieve toevoegingen enerzijds en een stabiliserende en op termijn krimpende vraag anderzijds ontstaat een sloop- en verdunningsopgave. Daarbij moet het streven zijn het behoud van een gezonde krapte in de woningmarkt. Kwalitatieve versterking van de bestaande woningvoorraad is de hoofdopgave.

5.4. De Afdeling overweegt dat het hiervoor geformuleerde beleid als hoofddoel heeft de bestaande woningen kwalitatief te vernieuwen dan wel te verbeteren, teneinde in te spelen op de vraag waarin de bestaande woningvoorraad niet voorziet. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat, gezien de verwachte krimp van het aantal inwoners binnen de gemeente, het toestaan van nieuwe woningen zou kunnen leiden tot leegstand. In overeenstemming met dit beleid heeft de raad het toevoegen van een extra bouwvlak op het perceel van [appellante] niet passend geacht.

Voor zover [appellante] heeft betoogd dat de raad in haar gezondheidssituatie aanleiding had moeten zien van zijn beleid af te wijken, overweegt de Afdeling dat dergelijke persoonlijke omstandigheden geen ruimtelijk relevant aspect vormen. Verder heeft de raad in dit verband belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat het verlenen van medewerking aan het verzoek van [appellante] kan leiden tot ongewenste precedentwerking.

Het betoog faalt.

Gelijkheidsbeginsel

6. [appellante] betoogt dat de raad, gezien zijn voornoemde beleid, handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan verschillende percelen wel bouwkavels voor woningen zijn toegekend. Zij wijst daarbij op de toekenning van een woonbestemming aan het perceel tussen de Lageweg 48 en de [locatie] en op het bouwblok bij het perceel Hoofdweg 30a te Wedde. Verder heeft zij gewezen op het omzetten van een bijgebouw in een recreatiewoning op het perceel Eikenlaan 3 te Bellingwolde, het omzetten van huurwoningen naar koopwoningen op de Markedwarsweg te Wedde en het omzetten van een voormalige puinbrekerij in een woongebouw met tien appartementen in de vorm van een landgoed te Blijham.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellante] genoemde gevallen geen gelijke gevallen zijn, omdat met die gevallen geen extra woningen mogelijk worden gemaakt.

6.2. Ten aanzien van de door [appellante] gemaakte vergelijking met het perceel tussen de Lageweg 48 en [locatie] wordt overwogen dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat daar - anders dan bij [appellante] - sprake is van een verplaatsing van een woning die was gelegen aan de Hoofdweg 13, zodat hierdoor geen woning aan het bestaande woningbestand wordt toegevoegd.

Over de omzetting van huurwoningen naar koopwoningen op de Markedwarsweg, wordt overwogen dat deze omzetting evenmin leidt tot het toevoegen van extra woningen aan het bestaande woningbestand binnen de gemeente.

Ten aanzien van het bouwblok bij het perceel Hoofdweg 30a heeft de raad ter zitting toegelicht dat in het verleden voor de bouw van vier woningen ter plaatse een bouwvergunning is verleend, van welke vergunning geen gebruik is gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft de raad deze rechten teruggebracht tot één woning. Ook in zoverre doen zich geen gelijke gevallen voor.

Wat betreft de door [appellante] genoemde woning op de Eikenlaan 3 te Bellingwolde, overweegt de Afdeling dat deze woning een recreatiewoning betreft, zodat reeds hierom niet gesproken kan worden van gelijke gevallen.

Over de door [appellante] gemaakte vergelijking met het woongebouw op het terrein van de voormalige puinbrekerij op de hoek van de Winschoterweg met de Bouwteweg te Blijham, heeft de raad ter zitting toegelicht dat de initiatiefnemer voor deze ontwikkeling in het verleden een bouwvergunning heeft verkregen. De raad heeft met het mogelijk maken van dit initiatief verkregen rechten willen respecteren. Gelet hierop kan ook ten aanzien van dit geval niet gesproken worden van gelijke gevallen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante] genoemde gevallen niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Koeman w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

271-817.