Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201501656/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:676, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Marvin Beheer B.V. omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vier appartementen aan de Gochsestraat 14 te Huissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501656/1/A1.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Huissen, gemeente Lingewaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 februari 2015 in zaak nr. 14/3304 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2014 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Marvin Beheer B.V. omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van vier appartementen aan de Gochsestraat 14 te Huissen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 5 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 april 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Marvin Beheer een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en Marvin Beheer hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, en het college, vertegenwoordigd door H.P.T. Nas en mr. J.A.R. Bolhuis-De Boer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Marvin Beheer, vertegenwoordigd door mr. E.M. de Ruijter.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van vier appartementen in een pand op het perceel. [appellant] woont op het naastgelegen perceel [locatie].

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Huissen" rust op het perceel de bestemming "Wonen" met de nadere aanduidingen "erf" en "dienstverlening".

Ingevolge artikel 1, onder 21, van de planregels wordt onder bijgebouw verstaan: een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmeting ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw.

Ingevolge het bepaalde onder 26 wordt onder een bouwvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

Ingevolge het bepaalde onder 42 wordt onder een hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge het bepaalde onder 45 wordt onder inwoning verstaan: het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen, met dien verstande dat dit slechts toegestaan is in het hoofdgebouw, dan wel in met het hoofdgebouw verbonden bijgebouwen en dat woningsplitsing en/of kamerbewoning niet toegestaan is.

Ingevolge artikel 21.1, eerste lid, aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor inwoning met dien verstande dat maximaal 60 m² van het grondvloeroppervlak van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning.

Ingevolge artikel 21.2.1, onder a, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat deze uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 21.2.2, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van bijgebouwen dat deze uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen "bouwvlak", "erf" en "bijgebouwen" mogen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Lingewaard moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het tweede lid moet de in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;

b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.

Ingevolge het derde lid, moet, indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Kom Huissen". Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan.

4. De rechtbank heeft overwogen dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van het bestemmingsplan "Het Zand, herziening Gochsestraat", terwijl het bestemmingsplan "Kom Huissen" ten tijde van belang van toepassing is, zodat het besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien om te bezien of er reden bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten en heeft zij overwogen dat het college in de bespreking van de zienswijzen en het besluit is uitgegaan van het bestemmingsplan "Kom Huissen" en zij, hoewel in de ruimtelijke onderbouwing niet van dit bestemmingsplan wordt uitgegaan, hierin geen grond ziet om af te zien van het in stand laten van de rechtsgevolgen. Vervolgens heeft de rechtbank geconcludeerd dat in het besluit onvoldoende aandacht is besteed aan de toename van het bouwvolume ten opzichte van de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden en dat de ruimtelijke onderbouwing niet ingaat op de gebruiksintensiteit. De rechtbank heeft geoordeeld dat het gebrek met de door het college gegeven toelichting in de zienswijzenbespreking en het verweerschrift is hersteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat alleen op basis van de ruimtelijke onderbouwing niet geconcludeerd kan worden dat aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan. Ook dit gebrek is met de nadere motivering hersteld volgens de rechtbank. De rechtbank heeft, gelet hierop, het besluit van 9 april 2014 vernietigd en de rechtsgevolgen geheel in stand gelaten.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 april 2014 in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het in het bouwplan voorziene dakterras in strijd is met het bestemmingsplan "Kom Huissen", nu het dakterras is gelegen buiten het bouwvlak. Daarnaast voert hij aan dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Het college had een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning moeten hanteren. Volgens [appellant] heeft het college voorts onvoldoende gemotiveerd dat, na het realiseren van drie parkeerplaatsen op het perceel, voldoende ruimte aanwezig is om met een vrachtwagen te laden en lossen bij de op het perceel aanwezige loods. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, nu het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ruimtelijke impact van het bouwplan, gelet op de bestaande situatie, beperkt is. Volgens [appellant] hebben vier huishoudens op één perceel een wezenlijk andere ruimtelijke impact dan één huishouden en maakt ook het gebruik van een slaapkamer op de eerste verdieping of het gebruik van een keuken of woonkamer op de eerste verdieping met rechtstreeks zicht via de dakkapellen op zijn tuin en woning een wezenlijk verschil met de bestaande situatie. Er is volgens [appellant] ook sprake van een wezenlijk andere intensiteit van het gebruik van het pand als gevolg van de realisering van het bouwplan dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, nu maximaal 60 m² van het vloeroppervlak mag worden gebruikt ten behoeve van inwoning terwijl het bouwplan voorziet in vier appartementen met een oppervlakte van 37 m² tot 60 m².

5.1. Het bouwplan voorziet onder meer in een dakterras op een bestaand onderdeel van het gebouw op het perceel. Niet in geschil is dat dit dakterras buiten het in het bestemmingsplan "Kom Huissen" opgenomen bouwvlak is gelegen.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het dakterras in overeenstemming is met het bestemmingsplan, nu het is voorzien op een aangebouwd bijgebouw op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "Erf", waar ter plaatse bijgebouwen mogen worden gebouwd en het aangebouwde bijgebouw ook voldoet aan de overige bouwvoorschriften.

Uit de bouwtekening blijkt dat het hoofdgebouw uit twee bouwlagen bestaat, is gelegen aan de voorzijde van het perceel en is voorzien van een schuine kap. Het aangebouwde bouwwerk waarop het dakterras is voorzien is uitgevoerd in een bouwlaag, is achter het hoofdgebouw gelegen en is voorzien van een plat dak. Het college wordt dan ook gevolgd in zijn standpunt dat het bouwwerk waarop het dakterras is voorzien een bijgebouw als bedoeld in artikel 1, onder 21, van de planregels betreft, nu het qua ligging, afmetingen en constructie ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Nu voorts op het gedeelte van het perceel waar het bijgebouw is gelegen de bestemming "Wonen" met de aanduiding "Erf" rust, volgt uit artikel 21.2.2, aanhef en onder a, van de planregels dat ter plaatse bijgebouwen mogen worden gebouwd. Dat het bijgebouw is gelegen buiten het bouwvlak doet daar niet aan af. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het op het bijgebouw voorziene dakterras in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

5.2. Het door [appellant] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet en deze ook daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan, mede gelet op het bestaande tekort, drie parkeerplaatsen vereist en dat deze drie parkeerplaatsen op het perceel gerealiseerd worden. Het college heeft daarbij een parkeernorm van 0,8 parkeerplaats (ondergrens voor woningen van het type "huur, etage, midden/goedkoop") per appartement gehanteerd. Daarbij is het afgeweken van het uitgangspunt in het parkeerbeleid dat van de bovengrens van de norm voor goedkope woningen uitgegaan wordt, waaruit een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per appartement zou volgen.

Het college heeft voldoende gemotiveerd dat een parkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per woning kan worden gehanteerd. Het parkeerbeleid van de gemeente biedt de mogelijkheid om gemotiveerd van de uitgangspunten van het parkeerbeleid af te wijken. Het college heeft toegelicht dat het om kleine appartementen gaat die voornamelijk geschikt en bedoeld zijn voor eenpersoonshuishoudens en dat het gezien de relatief kleine oppervlakte van de appartementen en het marksegment waarvoor deze bedoeld zijn realistisch is om aansluiting bij de ondergrens van de parkeernorm voor woningen van het type "huur, etage, midden/goedkoop" te zoeken. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist. Uit toepassing van de norm van 0,8 parkeerplaatsen per woning volgt dat de parkeerbehoefte voor het bouwplan 3,2 parkeerplaatsen bedraagt. De bestaande parkeerbehoefte bedraagt volgens het college één parkeerplaats, hetgeen niet in geschil is. De toename van de parkeerbehoefte bedraagt derhalve 2,2 parkeerplaatsen, afgerond drie parkeerplaatsen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening wordt gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan en een eventueel bestaand tekort buiten beschouwing kan worden gelaten. Dat sprake is van een bestaand tekort van één parkeerplaats voor het bestaande hoofdgebouw mocht het college dan ook buiten beschouwing laten, zodat het aantal te realiseren parkeerplaatsen drie bedraagt.

Het college heeft voorts, mede gelet op de toelichting ter zitting van de Afdeling, voldoende gemotiveerd dat de drie vereiste parkeerplaatsen daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden op het perceel en het laden en lossen ten behoeve van de loods na de realisering van de parkeerplaatsen mogelijk blijft. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de te realiseren parkeerplaatsen ingevolge artikel 2.5.30, tweede lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening minimaal 1,8 m breed en 5 m lang dienen te zijn. Het college heeft toegelicht dat drie parkeerplaatsen met die grootte kunnen worden gerealiseerd op de op het perceel aanwezige uitrit van 4,7 m bij 25 m. Dan kan 6 m van de uitrit beschikbaar blijven voor het parkeren en laden en lossen ten behoeve van de loods op het perceel, hetgeen ook contractueel is vastgelegd. Dat, zoals [appellant] ter zitting heeft betoogd, sprake is van dubbeltellen, omdat de te realiseren parkeerplaatsen ten koste gaan van bestaande parkeergelegenheid bestaat voorts geen grond. Ter zitting hebben het college en Marvin Beheer toegelicht dat het deel van het perceel waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd tot ongeveer april 2015 afgesloten was met een hek, hetgeen door [appellant] niet is betwist.

5.3. Het door [appellant] aangevoerde biedt voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de gevolgen van de realisering van het bouwplan voor hem, gelet op de toename van de gebruiksintensiteit, zodanig zijn dat het college in redelijkheid geen omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het bouwplan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op het perceel reeds een woonbestemming rust en ingevolge artikel 21.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de planregels ter plaatse voorts inwoning tot een oppervlakte van 60 m² is toegestaan. Het college heeft er verder op gewezen dat, nu het bouwplan voorziet in twee in- en uitgangen aan beide zijden van het pand de aan- en uitloop naar en van het hoofdgebouw worden verdeeld over de beide zijden van het pand, hetgeen minder belastend is dan de aan- en uitloop bij een eengezinswoning. Voor zover [appellant] wijst op het rechtstreekse zicht op zijn tuin en woning wordt voorts in aanmerking genomen dat in de bestaande situatie ook op de eerste verdieping van het hoofdgebouw gewoond mag worden zodat, voor zover het bouwplan in woningen op de eerste verdieping voorziet, het geen wezenlijk ander effect heeft dan in de bestaande situatie reeds mogelijk is.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 april 2014 in stand heeft kunnen laten.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Slump w.g. Kos

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

580.