Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201408761/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Dorp" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201408761/1/R4.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Leiderdorp,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leiderdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Dorp" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2015, waar [appellant A] en [appellant B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. X. Visscher, werkzaam bij Servicepunt71, M.A. Hendriks en M. Vroonhof, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014 in zaak nr. 201210939/1/R4. In die uitspraak heeft de Afdeling het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van 10 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oude Dorp" gedeeltelijk gegrond verklaard. De Afdeling heeft daarbij, voor zover hier van belang, het besluit van 10 september 2012 vernietigd, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "wro-zone -wijzigingsgebied" en het plandeel met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" zijn vastgesteld. Dit betreft het perceel [locatie] te Leiderdorp.

De raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van 12 maart 2014 een nieuw plan vastgesteld. Daarin heeft hij aan een deel van het perceel [locatie] de bestemming "Bedrijf" toegekend. Daarnaast heeft de raad de in de uitspraak van 12 maart 2014 bedoelde gebouwen onder die bestemming gebracht en heeft hij de voorwaarden voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid gewijzigd.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het geschil

3. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaar van het perceel [locatie] te Leiderdorp. Aan dit perceel zijn in het plan de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Bedrijf" toegekend. Daarnaast is aan het gehele perceel de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" toegekend. Uit artikel 26, lid 26.2, van de planregels volgt dat het college van burgemeester en wethouders voor de gronden met die aanduiding onder bepaalde voorwaarden een wijzigingsplan kan vaststellen dat de bouw van ten hoogste drie woningen mogelijk maakt. [appellant A] en [appellant B] hebben het voornemen om de bestaande woning op het perceel in stand te laten en twee nieuwe woningen met praktijkruimte te bouwen.

[appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met de gewijzigde planregeling voor hun perceel zoals de raad die naar aanleiding van de uitspraak van 12 maart 2014 heeft vastgesteld. Uit de toelichting die [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben gegeven, blijkt dat zij zich in het bijzonder niet kunnen verenigen met de regeling in het plan voor de bouwhoogte en de situering van de woningen waarvoor het plan een wijzigingsbevoegdheid bevat.

Goede procesorde

4. De raad betoogt dat de beroepsgronden over het plandeel met de bestemming "Bedrijf" wat betreft een deel van het perceel [locatie] buiten beschouwing moeten blijven wegens strijd met de goede procesorde. Volgens de raad hebben [appellant A] en [appellant B] pas in hun nadere memorie van 24 augustus 2015 beroepsgronden over dit besluitonderdeel aangevoerd. De raad betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, nr. 201403153/1/R1, dat na afloop van de beroepstermijn of de termijn voor de aanvulling van de beroepsgronden geen nieuw besluitonderdeel meer kan worden bestreden.

4.1. In de uitspraak van 3 juni 2015 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere belanghebbenden, in het licht van de goede procesorde in een procedure tegen besluiten waarbij veel uiteenlopende belangen zijn betrokken, zoals een bestemmingsplan of andere besluiten op het gebied van het omgevingsrecht, niet kan worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van de beroepstermijn of de gegeven termijn voor het aanvullen van de gronden wordt uitgebreid door het aanvechten van een nieuw besluitonderdeel.

Uit de toelichting die [appellant A] en [appellant B] ter zitting op hun beroep hebben gegeven, blijkt dat hun enige bezwaar tegen de bestemming "Bedrijf" nog de maximale bouwhoogte van 4,5 m betreft die op grond van het plan voor een deel van dat bestemmingsvlak geldt. [appellant A] en [appellant B] vrezen dat deze maximale bouwhoogte ook van toepassing is op de bouw van nieuwe woningen op dit deel van het perceel. Deze beroepsgrond over het plandeel met de bestemming "Bedrijf" hangt naar het oordeel van de Afdeling zodanig samen met de beroepsgronden over de wijzigingsbevoegdheid voor de bouw van maximaal drie woningen, dat geen aanleiding bestaat deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Daarbij is mede van belang dat [appellant A] en [appellant B] in verband met de wijzigingsbevoegdheid reeds in een eerder stadium beroepsgronden over de bouwhoogte hebben aangevoerd.

Bouwhoogte woningen

5. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met de maximale bouwhoogte die in het plan is opgenomen voor de woningen waarvoor het plan een wijzigingsbevoegdheid bevat.

5.1. Ingevolge artikel 26, lid 26.2, aanhef en onder a, van de planregels, geldt als een van de voorwaarden voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dat ten hoogste drie woningen mogen worden gebouwd met een goothoogte tussen de 3 en 4 m en een bouwhoogte tussen de 8 en 9 m, waarbij de bouw van een aan de woning gebouwde praktijkruimte tevens mogelijk is.

De raad heeft de bepalingen over de maximale bouw- en goothoogte bij de vaststelling van het nieuwe plan toegevoegd. De planregels van het vorige, door de Afdeling gedeeltelijk vernietigde plan, bevatten geen maximale bouw- en goothoogte voor de woningen waarvoor een wijzigingsbevoegdheid in het plan was opgenomen.

5.2. Uit de toelichting die [appellant A] en [appellant B] ter zitting hebben gegeven, blijkt dat zij vrezen dat de maximale bouwhoogtes die in artikel 4 van de planregels zijn opgenomen voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" ook gelden voor de woningen met praktijkruimte waarvoor de wijzigingsbevoegdheid in het plan is opgenomen. [appellant A] en [appellant B] vrezen in het bijzonder dat hierdoor op een deel van het perceel een maximale bouwhoogte van 4,5 m geldt voor deze woningen.

5.3. De wijzigingsbevoegdheid houdt in dat het college van burgemeester en wethouders een wijzigingsplan kunnen vaststellen dat maximaal drie woningen op het perceel [locatie] mogelijk maakt. Als het college van burgemeester en wethouders met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een wijzigingsplan vaststelt, wordt daardoor de huidige bestemming van de gronden gewijzigd in de bestemming "Wonen" en/of "Tuin". De bestemming "Bedrijf" die in het plan aan een deel van het perceel is toegekend, geldt dan niet meer. Dit betekent ook dat de maximale bouwhoogtes voor de bestemming "Bedrijf" niet meer van toepassing zijn na de vaststelling van een wijzigingsplan dat de woningen mogelijk maakt. Anders dan [appellant A] en [appellant B] vrezen, geldt voor de twee extra woningen met praktijkruimte die zij op hun perceel willen bouwen dus geen maximale bouwhoogte van 4,5 m. In het wijzigingsplan zullen bouwregels voor de woningen worden opgenomen. Die bouwregels zullen moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 26, lid 26.2, van de planregels. Dit betekent dat het wijzigingsplan maximaal drie woningen met aangebouwde praktijkruimte mogelijk kan maken met een goothoogte tussen de 3 en 4 m en een bouwhoogte tussen de 8 en 9 m. Ter zitting is gebleken dat [appellant A] en [appellant B] tegen die goot- en bouwhoogten geen bezwaar hebben.

Het betoog faalt.

Situering woningen

6. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich daarnaast niet verenigen met de regels die het plan bevat voor de situering van de woningen in het wijzigingsgebied. Zij voeren, kort weergegeven, aan dat het plan te veel beperkingen bevat voor de situering van de nieuwe woningen op hun perceel. Met name betogen zij dat het plan het ten onrechte niet mogelijk maakt de woningen verder naar achteren op het perceel te bouwen. Volgens [appellant A] en [appellant B] is het door de beperkingen aan de situering van de woningen feitelijk niet mogelijk om twee nieuwe woningen op hun perceel te realiseren.

6.1. Ingevolge artikel 26, lid 26.2, aanhef en onder b, van de planregels geldt als een van de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dat bij de herinrichting van het gebied rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke karakteristiek van het gebied waarbij in elk geval:

1. de bestaande voorgevelrooilijnen in acht worden genomen;

2. door architectonische detaillering, een harmonische inpassing van de hoofdgebouwen in het straatbeeld wordt gerealiseerd;

3. de woningen dienen georiënteerd te zijn op de Tuinstraat;

4. de voorgevel van de woningen dient te worden gesitueerd binnen een zone van ten minste 6 m en ten hoogste 10 m uit de as van de aangrenzende weg.

6.2. Het plan dat bij de uitspraak van 12 maart 2014 gedeeltelijk is vernietigd, bevatte reeds een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bouw van maximaal drie woningen op het perceel [locatie]. In artikel 26, lid 26.3, aanhef en onder b, van de planregels van dat plan waren ook voorwaarden opgenomen over de situering van de woningen binnen het wijzigingsgebied. [appellant A] en [appellant B] hebben hierover in hun beroep tegen het vorige plan geen beroepsgronden aangevoerd.

Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

De Afdeling stelt vast dat alleen onderdeel 4 van artikel 26, lid 26.2, onder b, van de planregels een wijziging bevat ten opzichte van regels van het plan dat bij de uitspraak van 12 maart 2014 gedeeltelijk is vernietigd. [appellant A] en [appellant B] kunnen daarom in deze procedure alleen nog nieuwe beroepsgronden aanvoeren over deze wijziging. Voor het overige kunnen zij geen beroepsgronden meer aanvoeren over artikel 26, lid 26.2, onder b, van de planregels.

6.3. In onderdeel 4 van artikel 26, lid 26.2, onder b, van de planregels is bepaald dat de voorgevel van de woningen moet worden gesitueerd binnen een zone van ten minste 6 m en ten hoogste 10 m uit de as van de aangrenzende weg. In het vorige plan was dit een zone van ten minste 6 m en ten hoogste 8 m uit de as van de aangrenzende weg. De zone waarbinnen de voorgevel van de woningen mag worden gesitueerd, is dus met 2 m verruimd ten opzichte van het vorige plan. De voorgevel van de woningen mag daardoor verder naar achteren worden gesitueerd dan in het vorige plan.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het opnemen van een zone van ten minste 6 m en ten hoogste 8 m uit de as van de weg voor de situering van de voorgevel van de woningen in deze procedure niet meer ter beoordeling kan staan. Ter beoordeling staat daarom alleen nog de zone, voor zover die is uitgebreid van ten hoogste 8 m naar ten hoogste 10 m uit de as van de weg. De Afdeling overweegt dat [appellant A] en [appellant B] door deze verruiming van de zone niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten tot de verruiming van de zone voor de situering van de voorgevel van de woningen zoals die in artikel 26, lid 26.2, onder b, onderdeel 4, van de planregels is opgenomen.

Het betoog faalt.

Beroepsgronden over de totstandkoming van het plan

7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat hun bij de voorbereiding van het nieuwe plan onvoldoende inspraakmogelijkheden zijn geboden. Volgens hen heeft ten onrechte alleen de raadscommissie, en niet de raad zelf, kennis genomen van hun schriftelijke opmerkingen. Bovendien stellen [appellant A] en [appellant B] dat zij tijdens de behandeling bij de raadscommissie onvoldoende gelegenheid hebben gehad hun standpunt toe te lichten, onder meer doordat zij te weinig spreektijd hebben gekregen en door de voorzitter herhaaldelijk werden onderbroken. Zij betogen dat dit in strijd is met artikel 1 van Protocol Nr. 12 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR).

7.1. De raad stelt dat, overeenkomstig overweging 17 van de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014, geen nieuw ontwerpplan ter inzage is gelegd en niet opnieuw de mogelijkheid is geboden zienswijzen naar voren te brengen. De raad heeft [appellant A] en [appellant B] niettemin bij de totstandkoming van het gewijzigde plan betrokken. De raad stelt dat er uitgebreid schriftelijk en mondeling contact is geweest met [appellant A] en [appellant B] over de aanpassing van het plan. Daarbij zijn zij volgens de raad in de gelegenheid gesteld om opmerkingen in te dienen. Naar aanleiding van de contacten met [appellant A] en [appellant B] heeft de raad aanpassingen ten gunste van hen in het plan aangebracht. Volgens de raad hebben [appellant A] en [appellant B] op 5 september 2014 nog een inhoudelijk stuk bij de raad ingediend. Zowel het raadsforum (voorheen: de raadscommissie) als de raad heeft van dit stuk kennisgenomen. Daarnaast hebben [appellant A] en [appellant B] tijdens een vergadering van het raadsforum ingesproken.

7.2. In de uitspraak van 12 maart 2014 heeft de Afdeling bepaald dat bij de voorbereiding van het nieuwe besluit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet hoefde te worden toegepast. De raad hoefde dus geen nieuw ontwerpplan ter inzage te leggen waarover zienswijzen konden worden ingediend. Het bieden van andere vormen van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een eventuele inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling bovendien geen grond voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding van het plan op dit punt in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld.

[appellant A] en [appellant B] hebben zich voorts beroepen op artikel 1 van Protocol Nr. 12 bij het EVRM. Deze bepaling bevat een discriminatieverbod. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat zij bij de mondelinge behandeling van het plan bij de raadscommissie zijn gediscrimineerd.

Het beroep van [appellant A] en [appellant B] op het IVBPR kan evenmin slagen, reeds omdat [appellant A] en [appellant B] niet nader hebben aangeduid met welke bepaling van dat verdrag de handelwijze van de raad volgens hen in strijd is.

Het betoog faalt.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Van der Wiel

lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

483.