Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201502786/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:1219, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2013 heeft het CBR [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B verstrekt met een termijnbeperking van vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502786/1/A1.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/1290 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR)

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2013 heeft het CBR [appellant] een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B verstrekt met een termijnbeperking van vijf jaar.

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, en het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 122 van de Wegenverkeerswet 1994 wordt met inachtneming van de artikelen 123, 123a en 123b de geldigheidsduur van het rijbewijs bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd.

Ingevolge artikel 97, eerste lid, Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijsregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorvoertuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 102, tweede lid, wordt, indien naar het oordeel van de aangewezen arts of artsen redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet voorziene geldigheidsduur, zulks door hem of door hen schriftelijk medegedeeld aan het CBR onder vermelding van de termijn waarvoor de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel aan die eisen voldoet.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het achtste lid registreert het CBR, indien naar het oordeel van het CBR redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de wet, voorziene geldigheidsduur, die termijn in het rijbewijzenregister binnen de in het eerste lid aangegeven termijn.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) wordt in deze Regeling verstaan onder groep 1: rijbewijzen van de categorieën A1, A2, B, B+E.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Hoofdstuk 8 van de bijlage behorende bij de Regeling (hierna: de bijlage) is getiteld "Psychiatrische stoornissen".

In paragraaf 8.11, 'Autismespectrumstoornissen', van de bijlage is het volgende bepaald:

"Bij de eerste beoordeling door het CBR van personen met een autismespectrumstoornis (ASS) moet een onderzoek plaatsvinden door een onafhankelijk specialist met kennis en ervaring op het gebied van ASS bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren.

Personen met ASS zijn onbeperkt geschikt voor groep 1 en 2 indien zowel co-morbide psychiatrische als somatische stoornissen voldoende onder controle zijn.

Deze stoornissen zijn:

- angst- en dwangstoornissen, aandachtstoornissen, hyperactiviteit, depressieve stoornissen en psychotische stoornissen;

- epilepsie en genetische afwijkingen.

Voor deze stoornissen gelden tevens de betreffende paragrafen uit hoofdstukken 7 en 8. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10.

In twijfelgevallen kan de specialist het CBR een termijnbeperking adviseren van drie of vijf jaar, waarna, evenals bij de eerste keuring, een keuring door een specialist met kennis en ervaring op gebied van ASS bij volwassenen moet plaatsvinden.

Bij een eerste aanvraag voor groep 1 of 2 dient bij de beoordeling een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol."

2. Naar aanleiding van de door hem ingediende Eigen Verklaring ter verkrijging van een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, is [appellant] op 3 oktober 2013 gekeurd door psychiater D.P. Ravelli van AltaConsult. De bevindingen uit dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 oktober 2013. In het rapport is vermeld dat [appellant] bekend is met een MCDD, een meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis, in het bijzonder een ASS en een angststoornis. Ravelli heeft geadviseerd [appellant] geschikt te verklaren met een termijnbeperking van vijf jaar voor de rijbewijzen van groep 1 en 2. Dit gezien de angststoornis als onderdeel van MCDD, waarbij medicatiegebruik. Het CBR heeft dit advies aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van de door [appellant] in beroep overgelegde contra-expertise van 2 juli 2014 waarin psychiater W.F. Maillette de Buy Wenniger heeft geadviseerd [appellant] onbeperkt geschikt te verklaren voor rijbewijzen van groep 1 en 2, heeft Ravelli op verzoek van de rechtbank zijn advies bij brief van 26 september 2014 nader gemotiveerd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de in beroep door psychiater Ravelli uitgebrachte aanvullende medische rapportage. Hiertoe voert hij aan dat Ravelli geen oordeel over hem kan geven, nu Ravelli niet zijn behandelaar is en niet zelf de diagnose heeft gesteld, althans hem niet heeft onderzocht. Voorts voert [appellant] aan dat Ravelli ten onrechte heeft gesteld dat sprake is van MCDD met chronische angst, waaruit blijkt dat Ravelli er vanuit is gegaan dat hij aan meerdere stoornissen dan wel een ernstiger vorm van de stoornis Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified

(PDD-NOS) lijdt, hetgeen niet het geval is. [appellant] voert verder aan dat Ravelli in de rapportage een omschrijving van de diagnose MCDD bij kinderen heeft gegeven die niet van toepassing is op volwassenen en hij voorts ten onrechte het medicijngebruik in de beoordeling heeft betrokken. Mede gelet op de door hem overgelegde contra-expertise bestaat aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door Ravelli opgestelde rapportage, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR zich bij de beslissing of iemand voldoet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen mag baseren op de psychiatrische rapportage, tenzij deze rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont of inhoudelijk tegenstrijdig is.

Uit de rapportage van Ravelli volgt dat hij een anamnese heeft afgenomen en een psychiatrisch onderzoek heeft verricht op basis waarvan hij tot zijn conclusies is gekomen. Ravelli is een onafhankelijk specialist met kennis en ervaring op het gebied van ASS, die in het BIG-register is ingeschreven en als keuringsarts op de hoogte is van de specifieke eisen die aan de geschiktheid voor het besturen van een voertuig worden gesteld. In het feit dat Ravelli niet de behandelend specialist van [appellant] is, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies over de rijgeschiktheid van [appellant] die Ravelli op basis van het onderzoek heeft getrokken.

De rechtbank heeft terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat Ravelli is uitgegaan van een onjuist beoordelingskader. Ravelli heeft als diagnose MCDD gesteld, als variant op autisme of PDD-NOS en heeft daarmee in samenhang de diagnose angststoornis gesteld. De rechtbank heeft in de rapportages terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat Ravelli daarmee bedoelt dat [appellant] zou lijden aan meerdere stoornissen dan wel dat MCDD een ernstiger vorm van PDD-NOS of verdergaande vorm van autisme betreft.

Ravelli is in de aanvullende rapportage van 26 september 2014 gemotiveerd ingegaan op de nauwe verbondenheid van MCDD met een angststoornis, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een korte omschrijving van MCDD zoals die is gegeven op de website van balansdigitaal.nl. Volgens Ravelli is bij [appellant] ook sprake van een met MCDD nauw verbonden angststoornis, nu een eerdere poging van [appellant] om het gebruik van medicatie te stoppen de angst heeft teruggebracht. Geen aanknopingspunten bestaan voor de juistheid van de niet onderbouwde stelling van [appellant] dat de voormelde omschrijving uitsluitend van toepassing is op kinderen en in dit geval niet kan dienen ter toelichting van de diagnose.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat Ravelli gelet op hoofdstuk 10 van de Regeling het gebruik van het medicijn fluoxetine bij zijn beoordeling heeft mogen betrekken, daargelaten de juistheid van de stelling van [appellant] dat gebruik van 30 mg fluoxetine per dag geen invloed heeft op de rijvaardigheid. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat Ravelli het medicijngebruik heeft beoordeeld aan de hand van de aandoening waarvoor het middel is voorgeschreven en dat de aandoening een meer wezenlijk probleem voor de rijgeschiktheid kan vormen dan het middel zelf. Omdat de aandoening met gebruik van medicatie weliswaar reeds geruime tijd onder controle is, maar de stoornis op zich nog aanwezig is en geen psychiatrische evaluatie meer plaats vindt, waardoor de stoornis buiten beeld kan raken, heeft Ravelli in dit geval in het medicijngebruik reden gezien een termijnbeperking van vijf jaar te adviseren.

In de omstandigheid dat psychiater Maillette de Buy Wenniger op basis van dezelfde onderzoeksgegevens tot een ander advies over de rijgeschiktheid van [appellant] is gekomen heeft de rechtbank, mede gelet op de bij brief van 26 september 2014 gegeven nadere motivering van Ravelli waarin hij voormeld advies heeft betrokken, terecht evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het CBR in dit geval niet van de juistheid van het rapport van Ravelli mocht uitgaan.

Gelet op dit rapport en de door het CBR in aanmerking genomen omstandigheid dat MCDD een gecompliceerde ontwikkelingsstoornis is waarvan het beloop bij jongvolwassenen onduidelijk is, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR voldoende heeft gemotiveerd waarom het vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid aangewezen is om na ommekomst van een termijn van vijf jaar de rijgeschiktheid van [appellant] te controleren en om die reden toepassing te geven aan het achtste lid van artikel 103 van het Reglement. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het CBR niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Deen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

604.