Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201502099/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Nationaliteitsrecht 2016/771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502099/1/V6.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 februari 2015 in zaak nr. 13/2431 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 21 juni 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 februari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. Baken-Loijenga, advocaat te Leeuwarden, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort MSc, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte, overleggen. Van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten stelt de staatssecretaris vrij de verzoeker die in bewijsnood verkeert. Bewijsnood doet zich volgens de Handleiding voor indien de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan of onvolledig zijn en wanneer in dat land geen stukken kunnen worden verkregen door de op dat moment bestaande politieke situatie. In bewijsnood is voorts de verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin die autoriteiten gemotiveerd aangeven waarom zij de verzoeker niet in het bezit kunnen stellen van een geldig buitenlands reisdocument. Indien de verzoeker voormelde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan ter verkrijging van een geldig buitenlands reisdocument.

2. [appellant] heeft gesteld dat hij is geboren op 7 april 1980 te Brazzaville, Congo, en dat hij de Congolese nationaliteit bezit.

3. Bij binnenkomst in Nederland heeft [appellant] een duplicaat van een geboorteakte met aktenummer 301, afgegeven te Brazzaville (hierna: geboorteakte 301), overgelegd. In de verklaring van onderzoek van 29 april 2011 heeft het Bureau Documenten (hierna: het BD) geconcludeerd dat het document waarschijnlijk niet echt is en dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. De staatssecretaris heeft het duplicaat aan het verkeer onttrokken.

In de bezwaarfase heeft [appellant] een duplicaat van een geboorteakte met aktenummer 271, (hierna: geboorteakte 271), een daarbij behorend Certificat de Conformité en een Congolees paspoort overgelegd. Omdat het duplicaat niet was gelegaliseerd, heeft [appellant] vervolgens een duplicaat van een geboorteakte met aktenummer 216, afgegeven te Goma Tsé-Tsé (hierna: geboorteakte 216), en een daarbij behorend Certificat de Conformité overgelegd.

In de verklaring van onderzoek van 2 januari 2013 heeft het BD geconcludeerd dat geen uitspraak over het duplicaat van geboorteakte 216 en het Congolese paspoort kan worden gedaan. Volgens het duplicaat van geboorteakte 301 is de geboorte van [appellant] geregistreerd op 9 april 1980, terwijl volgens het duplicaat van geboorteakte 216 de geboorte op een andere dag, te weten 10 april 1980, en onder een ander aktenummer is geregistreerd. In het Certificat de Conformité bij het duplicaat van geboorteakte 216 is ter hoogte van de vermelding van de dag van de registratie en het aktenummer een radering in de gegevens te zien. Dit duidt erop dat de registratiedag en het aktenummer zijn gewijzigd. Verder is niet bekend welke geboorteregistratie aan de afgifte van het paspoort ten grondslag heeft gelegen, aldus het BD.

Hierop heeft [appellant] een rapport van contra-expertise van Makano International van 23 mei 2013 (hierna: de contra-expertise) overgelegd. Hierin is vermeld dat de geconstateerde mankementen in het Certificat de Conformité zijn aangebracht door de instantie die het document heeft afgegeven. Elke gemeente gebruikt zijn eigen registratienummer bij de vernietiging van documenten, totdat de procureur van de republiek een "akte van reconstructie" heeft uitgegeven. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Makélékélé heeft op geboorteakte 216 de datum 9 april 1980 vermeld en op de akte die naar de rechtbank is gestuurd de datum 10 april 1980. De gemeente Goma Tsé-Tsé, die het duplicaat van geboorteakte 216 heeft afgegeven, heeft de registers van de rechtbank gebruikt. Volgens het certificaat van vernietiging van 14 september 2012, dat bij de contra-expertise is gevoegd (hierna: de akte van vernietiging), bestaat geboorteakte 301 niet meer en is deze vervangen door geboorteakte 216. Geboorteakte 216 en het daarbij behorend Certificat de Conformité zijn authentieke documenten.

In zijn reactie van 18 juni 2013 heeft het BD gesteld dat indien de gemeente Goma Tsé-Tsé de registers van de rechtbank zou hebben gebruikt, niet wordt begrepen waarom het registratienummer is gewijzigd. Verder valt niet in te zien waarom [appellant] niet naar de gemeente Makélékélé is gegaan voor een duplicaat van zijn geboorteakte, maar naar de gemeente Goma Tsé-Tsé. Evenmin is duidelijk waarom de gemeente Goma Tsé-Tsé vervolgens naar de registers van de gemeente Makélékélé bij de rechtbank is gaan zoeken, nu de geboorte al op 10 april 1980 in de gemeente Goma Tsé-Tsé geregistreerd zou zijn. Hetgeen in de contra-expertise staat, is warrig en getuigt van een chaotische organisatie van de registers in Congo, zodat hierin geen aanleiding wordt gezien de conclusies in de verklaring van onderzoek van 2 januari 2013 te herzien, aldus het BD.

4. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. Aan dit standpunt heeft de staatssecretaris de conclusies van het BD in de verklaring van onderzoek van 2 januari 2013 en de reactie van 18 juni 2013 ten grondslag gelegd. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in bewijsnood verkeert.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond. De staatssecretaris heeft niet van de juistheid van de conclusies van het BD over het duplicaat van geboorteakte 216 en het Congolese paspoort mogen uitgaan. In de contra-expertise is een duidelijke omschrijving gegeven van de wijze van registratie van zijn geboorteakte. De aangifte van zijn geboorte heeft plaatsgevonden in de gemeente Makélékélé. De akte is in die gemeente bewaard en er is een exemplaar ter bewaring naar de rechtbank verzonden. De ambtenaar die de registratie heeft uitgevoerd, heeft een fout gemaakt. Op de akte die in het gemeentearchief is bewaard, is de datum 9 april 1980 vermeld, en op de akte die naar de rechtbank is verzonden, de datum 10 april 1980. Bij zijn komst naar Nederland heeft hij een duplicaat van geboorteakte 301 meegenomen. Deze akte is afkomstig uit het gemeentearchief en derhalve voorzien van de registratiedatum 9 april 1980. Door de oorlog in Congo zijn de archieven vernietigd. De autoriteiten hebben getracht de archieven te herstellen door gebruik te maken van de archieven van de rechtbank. Derhalve is zijn geboorteakte in de gemeente Goma Tsé-Tsé alsnog geregistreerd onder het aktenummer 216, echter met de registratiedatum 10 april 1980, zijnde de bij de rechtbank geregistreerde datum. Er is een verklaring afgegeven dat geboorteakte 301 niet meer bestaat. Verder is niet van belang welke geboorteregistratie ten grondslag heeft gelegen aan de afgifte van het Congolese paspoort, nu het paspoort is afgegeven op grond van zijn geregistreerde persoonsgegevens en die gegevens als zodanig nimmer zijn gewijzigd in de registers, aldus [appellant].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 27 november 2013 in zaak nr. 201211217/1/V6) is een advies van het BD een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2009 in zaak nr. 200901087/1/V1, indien hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, er gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende verzoeker de uitkomst van het advies slechts met succes bestrijden door een andersluidende contra-expertise van een deskundige in te brengen.

Het betoog van [appellant] leidt niet tot het oordeel dat de conclusies van het BD naar wijze van totstandkoming niet zorgvuldig en naar inhoud niet inzichtelijk en concludent zijn. Met de contra-expertise heeft [appellant] de conclusies van het BD niet met succes bestreden. In zijn reactie heeft het BD de bevindingen van de contra-expertise gemotiveerd weersproken. [appellant] heeft geen nadere reactie van de opsteller van de contra-expertise of een andere deskundige ingebracht. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris de conclusies van het BD ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Daar komt bij dat [appellant] ook een duplicaat van geboorteakte 271 heeft overgelegd, waarop een andere registratiedatum van zijn geboorte, te weten 20 april 1980, staat, hetgeen niet strookt met zijn stelling, dat de ambtenaar op de akte van de gemeente de datum 9 april 1980 heeft aangebracht en op het naar de rechtbank verzonden afschrift abusievelijk de datum 10 april 1980. Voorts is op de akte van vernietiging, waaruit volgens [appellant] zou blijken dat geboorteakte 301 niet meer bestaat, als afgifteplaats van de vernietigde geboorteakte de gemeente Goma Tsé-Tsé vermeld, terwijl geboorteakte 301 is afgegeven in de gemeente Makélékélé.

De staatssecretaris heeft ter zitting van de Afdeling nader toegelicht dat [appellant] zelf verwarring rondom de registratie van zijn geboorte en de overgelegde duplicaten van geboorteakten heeft doen ontstaan. Volgens de staatssecretaris is het aan [appellant] om aan te tonen wat nu de juiste registratie en de juiste geboorteakte is. Hiervoor zou [appellant], bijvoorbeeld via een gemachtigde derde, contact kunnen opnemen met de autoriteiten van Congo om op dit punt verklaringen te verkrijgen. Dat bedoelde verwarring is ontstaan, dient volgens de staatssecretaris voor rekening en risico van [appellant] te komen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris terecht dit standpunt ingenomen.

Nu [appellant] zijn identiteit niet heeft aangetoond, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat evenmin kan worden vastgesteld of het paspoort op grond van de juiste persoonsgegevens is afgegeven, zodat dit document niet kan dienen ter vaststelling van zijn nationaliteit.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris terecht, onder verwijzing naar de conclusies van het BD, het standpunt heeft ingenomen dat [appellant] zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond.

Het betoog faalt.

6. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van [appellant] op bewijsnood wegens de situatie in Congo niet slaagt, omdat hij dit niet heeft gestaafd. Nu [appellant] eerst ter zitting in hoger beroep en zonder nadere toelichting is opgekomen tegen deze overweging, gaat de Afdeling hieraan voorbij.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Nasrullah-Oemar

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

404.