Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201503837/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2026, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2014 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om herregistratie als fysiotherapeut in het register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: BIG) niet in behandeling genomen en de BIG-registratie van [appellante] doorgehaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503837/1/A2.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 maart 2015 in zaak nr. 14/7827 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS).

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2014 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om herregistratie als fysiotherapeut in het register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: BIG) niet in behandeling genomen en de BIG-registratie van [appellante] doorgehaald.

Bij besluit van 26 september 2014 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2015, waar [appellante] en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.H.I. Hoogenraad, werkzaam bij het ministerie van VWS, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] heeft op 17 november 2013 een aanvraag om herregistratie als fysiotherapeut ingediend. De betaling voor het in behandeling nemen van de aanvraag is niet op tijd aan het dossier toegevoegd, waardoor de inschrijving van [appellante] in het BIG-register bij besluit van 20 januari 2014 is doorgehaald. Omdat deze doorhaling onterecht was, is deze bij besluit van 27 februari 2014 ongedaan gemaakt en is de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Bij dit besluit heeft de minister [appellante] verzocht om binnen een termijn van zes weken met bewijsstukken haar werkervaring aan te tonen. Op 10 april 2014 is [appellante] wederom de mogelijkheid geboden om binnen een termijn van zes weken bewijsstukken over te leggen. Bij besluit van 24 mei 2014 heeft de minister besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen omdat [appellante] geen bewijsstukken ter staving van haar werkervaring heeft overgelegd.

2. De stelling van [appellante] dat het besluit van 20 januari 2014 het primaire besluit is en dat de aangevallen uitspraak in zoverre foutieve informatie bevat, is onjuist. De rechtbank heeft terecht het bij het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit van 24 mei 2014 als primair besluit aangemerkt. Gelet op het besluit van 27 februari 2014 diende de minister opnieuw op de aanvraag te beslissen.

3. De stelling van [appellante] dat uit het procesverloop van de aangevallen uitspraak niet blijkt dat de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is overschreden, leidt niet tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen verbindt de Awb aan de enkele overschrijding van de beslistermijn geen gevolgen en is [appellante] door de overschrijding van de beslistermijn niet in haar belangen geschaad. Dat de minister de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit op het bezwaar niet in acht heeft genomen, brengt dan ook niet met zich dat hij niet meer bevoegd was op het bezwaar te beslissen.

4. De stelling van [appellante] dat de minister meineed heeft gepleegd door in het besluit op bezwaar te vermelden dat zij bij brief van 1 juli 2014, ontvangen op 3 juli 2014, een bezwaarschrift heeft ingediend, treft evenmin doel. Vaststaat dat [appellante] het bezwaarschrift zonder bijlagen per fax heeft ingediend. De minister heeft gesteld dat hij met de term "brief" de op papier gestelde boodschap van [appellante] bedoelt, namelijk het bezwaarschrift van 1 juli 2014, zoals door haar gefaxt op 3 juli 2014. De minister heeft ontkend een bezwaarschrift met bijlagen van [appellante] per post te hebben ontvangen en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan [appellante] was om te bewijzen dat zij het bezwaarschrift met bijlagen per post heeft verzonden.

5. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

6. [appellante] betoogt dat zij bewijsstukken heeft overgelegd, namelijk twee werknemersverklaringen die aan alle gestelde voorwaarden voldoen. Ook heeft zij de originele administratie, die in zogeheten planboeken is bijgehouden, ter inzage aangeboden in de Praxis für Physiotherapie te Reken (Duitsland). Zij heeft in bezwaar schriftelijk en telefonisch uitgelegd dat bij wet is bepaald dat zij deze stukken niet mag afgeven en uitgelegd dat ze geanonimiseerd geheel leeg zouden zijn. Zij heeft de rechtbank ter zitting de planboeken ter inzage aangeboden, doch de rechtbank heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Als de rechtbank de planboeken wel had ingezien, dan had zij kunnen weten dat de geanonimiseerde kopieën uit compleet lege vellen bestaan en daarmee een waardeloos bewijsstuk zouden zijn. Als de minister de juiste procedure had gevolgd en een hoorzitting had gehouden, had hij dit ook kunnen weten, aldus [appellante].

6.1. De minister heeft in een bijlage bij de brieven van 27 februari 2014 en 10 april 2014 een opsomming gegeven van de bewijsstukken die een aanvrager naar aanleiding van zijn aanvraag tot herregistratie op basis van werkervaring moet aanleveren. Hij heeft [appellante] er in de brief van 10 april 2014 op gewezen dat hij als de bewijsstukken niet binnen zes weken na dagtekening zijn ontvangen, de aanvraag niet verder kan behandelen. [appellante] heeft niet heeft aangetoond dat zij de werknemersverklaringen als bijlagen bij het bezwaarschrift aan de minister heeft toegezonden, zodat moet worden uitgegaan van de juistheid van het standpunt van de minister dat [appellante] haar aanvraag niet binnen een door de minister gestelde termijn heeft aangevuld.

De rechtbank heeft voorbij mogen gaan aan het aanbod van [appellante] om de planboeken ter zitting in te zien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] met de minister een afspraak had kunnen maken om de stukken bij de minister te kunnen laten inzien. [appellante] heeft in plaats daarvan in bezwaar de minister aangeboden de planboeken in Duitsland te komen inzien. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat die uitnodiging niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4:2, tweede lid, van de Awb. Omdat de minister de beslissing om van horen af te zien moet nemen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld, heeft hij in redelijkheid met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, van het horen van [appellante] kunnen afzien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu de minister de noodzakelijke gegevens om inzicht te krijgen in de werkervaring van [appellante] niet van haar heeft ontvangen, hij op juiste gronden toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.

Het betoog faalt.

7. In het besluit van 24 mei 2014 heeft de minister medegedeeld dat [appellante] de beroepstitel zonder BIG-registratie alleen nog mag gebruiken als zij in haar communicatie hieraan de woorden "niet praktiserend" toevoegt. De rechtbank heeft overwogen dat deze toevoeging rechtstreeks uit de regelgeving voortvloeit. De minister heeft er op gewezen dat de Wet BIG een Nederlandse wet is die tot doel heeft de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bevorderen en te bewaken en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Een van de instrumenten van de Wet BIG is het BIG-register. De minister heeft gesteld dat een BIG-registratie over het algemeen alleen nodig is als de zorgverlener in Nederland werkt. Het door [appellante] gestelde dat de toevoeging "niet praktiserend" niet juist is, omdat er genoeg Nederlandse zorgverleners in het buitenland werkzaam zijn die niet geregistreerd zijn en wel praktiserend, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de daarop betrekking hebbende mededeling in het besluit van 24 mei 2014 onjuist is.

8. De rechtbank heeft [appellante] voorts terecht niet gevolgd in haar betoog dat het besluit op bezwaar moet worden vernietigd, omdat in dat besluit de datum van de aanvraag onjuist staat vermeld. De rechtbank heeft overwogen dat de minister abusievelijk een verkeerde datum in het besluit op bezwaar heeft genoemd, maar bij de beoordeling wel van de juiste datum is uitgegaan, zodat het besluit op basis van de juiste feiten is genomen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit oordeel onjuist is.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoet op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, moet het verzoek van [appellante] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Verheij w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

97.