Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2015
Datum publicatie
02-12-2015
Zaaknummer
201500902/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8584, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2013 heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 75.366,36 en dat bedrag bij [appellant] in rekening gebracht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet op het binnentreden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/81 met annotatie van C.M.M. van Mil
JB 2016/10
JBO 2016/1 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JBO 2016/2 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2016/56
JOM 2015/1141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201500902/1/A1.

Datum uitspraak: 2 december 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 december 2014 in zaak nr. 14/3008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2013 heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 75.366,36 en dat bedrag bij [appellant] in rekening gebracht.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen voor zover dat ziet op de in rekening gebrachte post overwerkvergoeding, de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 75.156,36 en de motivering van dat besluit aangevuld.

Bij uitspraak van 11 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 april 2014 vernietigd voor zover het college daarbij heeft vastgesteld dat tot de op [appellant] te verhalen kosten van de toepassing van bestuursdwang de opslag van 10% behoort die Alphons Coolen Bouwservice B.V. (hierna: Coolen) aan het college in rekening heeft gebracht in verband met de werkzaamheden van Strukton Milieutechniek (hierna: Strukton) in de periode van 27 tot en met 30 augustus 2013, het besluit van 13 december 2013 herroepen, bepaald dat de door [appellant] aan het college verschuldigde kosten van de toegepaste bestuursdwang € 71.209,15 bedragen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.C.W. Smits, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

de toepassing van bestuursdwang

1. Op 27 augustus 2013 heeft een brand gewoed in de woning op het perceel [locatie] te Tilburg waarbij asbest is vrijgekomen. [appellant] is eigenaar van die woning. Bij besluit van 3 september 2013 heeft het college zijn beslissing van 27 augustus 2013 op schrift gesteld om jegens [appellant] spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens overtreding van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet, artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet, gelezen in verbinding met artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012, en overtreding van artikel 7.10 van het Bouwbesluit 2012. Daarin is vermeld dat het college gebruikt maakt van zijn bevoegdheid door:

- het mogelijk besmette gebied af te laten zetten;

- een asbestinventarisatie op te laten stellen;

- een aannemer in te schakelen voor de noodzakelijke bouwkundige maatregelen;

- het pand dicht te maken en de sloten te vervangen, desnoods herhaaldelijk;

- een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf opdracht te geven de woning te saneren en alle asbest en met asbestvezels verontreinigde goederen en stoffen af te voeren;

- de volledige inrichting van de hennepkwekerij te ruimen.

Het college heeft daarbij meegedeeld dat de kosten op [appellant] worden verhaald.

Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroepsgronden, inhoudende dat het college ten onrechte is overgegaan tot het met spoed ontruimen van een hennepkwekerij en het saneren van de woning inclusief het afvoeren en doen vernietigen van met asbest besmette goederen en dat het college de kosten daarvan niet op hem heeft mogen verhalen, niet slagen omdat het besluit van 3 september 2013 rechtens onaantastbaar is geworden. Voorts betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kosten van bouwkundige maatregelen in beginsel voor zijn rekening komen.

2.1. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de last in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het betoog van [appellant], inhoudende dat het college ten onrechte is overgegaan tot de toepassing van spoedeisende bestuursdwang, niet slaagt. Doordat [appellant] niet is opgekomen tegen het besluit van 3 september 2013, is dat besluit rechtens onaantastbaar geworden, moet van de rechtmatigheid van dat besluit worden uitgegaan en kunnen de kosten in beginsel op [appellant] worden verhaald. Dit brengt met zich dat de betogen dat handhavend optreden niet zo spoedeisend was, dat niet tot toepassing van bestuursdwang mocht worden besloten zonder voorafgaande opschriftstelling en zonder het gunnen van een termijn om de overtreding zelf te beëindigen, niet meer aan de orde kunnen komen. Dat geldt eveneens voor de betogen dat het college met minder ingrijpende maatregelen had kunnen volstaan en dat de kosten van bouwkundige maatregelen niet voor zijn rekening komen.

3. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn betoog dat het college bij de toepassing van bestuursdwang zijn woning onrechtmatig is binnengetreden, niet meer aan de orde kan komen omdat de rechtmatigheid van het dwangsombesluit niet meer voorligt. Volgens [appellant] is het standpunt van het college dat zijn woning terstond binnengetreden moest worden ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar onvoldoende onderbouwd. In dat verband stelt hij dat de brand reeds door de brandweer was geblust, dat de brandweer (voorzorgs)maatregelen had genomen en dat het niet noodzakelijk was om direct met de sanering te starten.

3.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, brengt de omstandigheid dat het besluit tot toepassing van bestuursdwang in rechte onaantastbaar is niet met zich dat het betoog dat het college bij de toepassing van bestuursdwang de woning van [appellant] onrechtmatig is binnengetreden niet meer aan de orde kan komen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 september 2013 in zaak nr. 201207417/1/A1; www.raadvanstate.nl), kan de vraag of feitelijk tot bestuursdwang in een woning mocht worden overgegaan zonder een machtiging tot binnentreden, aan de orde worden gesteld in beroep tegen een beschikking tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De Afdeling zal het betoog van [appellant] hierna alsnog inhoudelijk behandelen.

3.2. Ingevolge artikel 5:27, tweede lid, van de Awb is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner het bestuursorgaan dat bestuursdwang toepast bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Awbi is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Ingevolge het derde lid is een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.

3.3. Het college heeft in het besluit op bezwaar van 1 april 2014 gesteld dat de brand in de woning is begonnen op de eerste verdieping, waar zich een hennepkwekerij bevond. Voorts heeft het daarin de volgende feiten en omstandigheden vermeld. De brand heeft zich uitgebreid naar de zolderverdieping en is door het dak geslagen. Het asbesthoudend materiaal van het dakbeschot is kapot gesprongen en versplinterd. Tevens was de elektriciteitsvoorziening gedeeltelijk aangetast door de brand en moesten volgens het college bouwkundige maatregelen getroffen worden wegens instortingsgevaar. Vanwege het gat in het dak bestond er volgens het college risico op verdere verspreiding van asbestvezels en leverde dat een dermate gevaarlijke situatie op dat niet alleen de hennepkwekerij spoedeisend diende te worden opgeruimd, maar dat ook de woning diende te worden gesaneerd. Het college heeft gesteld dat het noodzakelijk was de situatie in de woning zo snel mogelijk te beoordelen en de benodigde maatregelen te treffen. Volgens het college was onder deze omstandigheden geen machtiging vereist om de woning binnen te treden.

3.4. De Afdeling volgt het standpunt van het college dat, gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Awbi, in dit geval bij de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang geen machtiging voor het binnentreden van de woning was vereist. De toezichthouders van het college zijn de woning binnengetreden vanwege de brand en de daarmee samenhangende (bouwkundige) veiligheid van het pand, teneinde de situatie in de woning nader te beoordelen en de benodigde maatregelen te treffen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze situatie het binnentreden zonder machtiging rechtvaardigde omdat aldus ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen kon worden voorkomen. Over de stelling dat de brand reeds was geblust en dat de brandweer (voorzorgs)maatregelen had genomen, heeft het college ter zitting van de Afdeling opgemerkt dat de brand niet volledig was geblust toen de toezichthouders het pand tezamen met de brandweer betraden en dat bij het betreden van de woning de ernst van de aanwezigheid van asbest in volle omvang duidelijk werd.

Het betoog van [appellant] dat het niet noodzakelijk was direct met de sanering te starten, kan, zoals onder 2.2 is overwogen, thans niet meer aan de orde komen. Vast staat dat in de woning geen personen aanwezig waren ten tijde van het uitbreken van de brand op 27 augustus 2013. Toen [appellant] op 29 augustus 2013 bij zijn woning arriveerde, heeft hij het college desgevraagd gemeld dat hij de sanering niet op zich wilde nemen. Ook heeft hij toestemming gegeven de sanering te vervolgen. Dat hij naar gesteld niet, of niet volledig, op de hoogte was van de kosten die daarmee gemoeid waren, maakt niet dat de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang reeds daarom niet op hem kunnen worden verhaald.

Het betoog faalt.

de kosten van de toepassing van bestuursdwang

4. In het besluit van 1 april 2014 heeft het college uiteengezet dat een groot deel van de werkzaamheden moest plaatsvinden met behulp van een hoogwerker via het gat in het dak van de woning, vanwege het instortingsgevaar en de asbestbesmetting. Daarbij moest ook de vloer van de zolderverdieping worden gesloopt, waarna de begane grond kon worden gesaneerd. De begane grond is in een luchtdicht afgesloten ruimte gesaneerd. Het college heeft gesteld dat het strippen van de woning noodzakelijk was omdat asbestvezels in de kleinste openingen kunnen doordringen. Het college heeft Coolen ingeschakeld om onder meer de vereiste bouwkundige werkzaamheden aan de woning uit te voeren en het heeft Strukton ingeschakeld voor de werkzaamheden met betrekking tot asbest.

De bij besluit van 1 april 2014 vastgestelde kosten van de toepassing van bestuursdwang van € 75.156,36 zien volgens dat besluit op de periode van 27 tot en met 30 augustus 2013 en de periode van 2 tot en met 5 september 2013. Het bedrag bestaat uit kosten met betrekking tot arbeid door toezichthouders van de gemeente en ziet voorts op de kosten van de werkzaamheden die door Coolen en Strukton zijn verricht.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aan hem gefactureerde kosten in verband met toezichthouders voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, voldoende heeft onderbouwd en dat deze kosten redelijk zijn.

5.1. Ingevolge artikel 5:25, derde lid, van de Awb behoren tot de kosten van bestuursdwang de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

5.2. In het besluit van 1 april 2014 heeft het college vermeld dat de arbeidskosten van vier toezichthouders van de gemeente in totaal € 6.440,00 bedragen voor 93 uur arbeid. Het heeft daarbij de volgende tarieven gehanteerd: 30 uur van € 65,00 per uur, 16 uur van € 75,00 per uur en 47 uur van € 70,00 per uur. Het college heeft in dat verband schriftelijk toegelicht op welke dagen welke toezichthouders werkzaamheden hebben verricht in het kader van de toegepaste bestuursdwang en hoeveel uur elke toezichthouder daaraan in totaal heeft besteed. De werkzaamheden zijn, met uitzondering van 9 september 2013, verricht op dagen dat de spoedeisende bestuursdwang werd toegepast. Voorts heeft het college toegelicht dat de verschillende uurtarieven voortkomen uit de verschillende loonschalen van de toezichthouders.

De rechtbank heeft het door het college gehanteerde uurtarief en het aantal in rekening gebrachte uren en dagen dat de toezichthouders bij de werkzaamheden aan de woning aanwezig waren terecht niet onredelijk geacht. Daarbij heeft de rechtbank terecht het standpunt van het college betrokken dat de uitvoering van de werkzaamheden onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvond en dat de werkzaamheden aan de woning acht dagen hebben geduurd en complex van aard waren wegens onder meer de aanwezigheid van asbest.

Over het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de arbeidskosten van werkzaamheden die zijn uitgevoerd op 9 september 2013 verhaald kunnen worden, overweegt de Afdeling dat uit het besluit van 1 april 2014 volgt dat het college bij het besluit van 13 december 2013 ten onrechte 100% overwerkvergoeding van in totaal € 210,00 in rekening heeft gebracht voor werkzaamheden, uitgevoerd op zondag 8 september 2013, terwijl die werkzaamheden op maandag 9 september 2013 plaatsvonden. Vast staat dat de werkzaamheden in de woning op 5 september 2013 waren afgerond. Het college heeft desgevraagd toegelicht dat op 9 september 2013 door twee toezichthouders administratieve werkzaamheden zijn uitgevoerd in het kader van de vastlegging van de spoedeisende bestuursdwang. Van een dergelijke vastlegging is de Afdeling evenwel niet gebleken en ter zitting van de Afdeling heeft het college daarover geen duidelijkheid kunnen geven. Gelet hierop berust het besluit van 1 april 2014 in zoverre niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt in zoverre.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aan hem gefactureerde kosten in verband met werkzaamheden van Strukton en Coolen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, voldoende heeft onderbouwd en dat deze kosten redelijk zijn. Daartoe voert hij aan dat niet duidelijk is of en zo ja, welke, bouwkundige maatregelen zijn genomen. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de omstandigheid dat het college pas in beroep een tarievenlijst van Strukton en een overzicht van Coolen heeft overgelegd. Voorts voert hij aan dat uit het overzicht van Coolen bij de factuur van 26 september 2013 niet blijkt dat alle werkzaamheden noodzakelijk dan wel spoedeisend waren. Tevens betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog onbesproken heeft gelaten dat de hennepkwekerij niet met spoed geruimd hoefde te worden.

6.1. Zoals onder 2.2 is overwogen, is het besluit van 27 augustus 2013 rechtens onaantastbaar geworden, moet van de rechtmatigheid van dat besluit worden uitgegaan en kunnen de kosten op [appellant] worden verhaald. Dit betekent dat het betoog dat de hennepkwekerij niet met spoed geruimd diende te worden, thans niet meer aan de orde kan komen.

6.2. De kosten die door Coolen in rekening zijn gebracht, te weten € 50.281,10 inclusief BTW, zien volgens het besluit van 1 april 2014 vooral op het veiligstellen en saneren van de zolderverdieping en de eerste etage. Het college heeft de kosten van Coolen onderbouwd met een factuur van 26 september 2013 en een bijbehorend overzicht. De factuur van Coolen ziet mede op saneringswerkzaamheden die Strukton van 27 tot en met 30 augustus 2013 heeft uitgevoerd. Daarin is een opslag van 10% gehanteerd, waardoor het totaalbedrag op € 43.419,33 inclusief BTW uitkomt. De rechtbank heeft overwogen dat de opslag van 10% niet redelijk is, aangezien het college Strukton zelf had kunnen inschakelen.

De kosten die door Strukton in rekening zijn gebracht, te weten € 18.435,26, zien op de sanering van de begane grond van 2 tot en met 5 september 2013.

Het college heeft gedetailleerde overzichten overgelegd van de door Strukton verrichte werkzaamheden en de daarvoor door Strukton - al dan niet via Coolen - in rekening gebrachte bedragen, alsmede een overzicht bij de factuur van Coolen waarop de kosten zijn vermeld voor de werkzaamheden van drie medewerkers en voor de huur en het gebruik van materialen, waaronder bouwmaterialen, een schaftkeet, een kraan en een chemisch toilet. [appellant] betoogt terecht dat het op de weg van het college had gelegen om deze overzichten uiterlijk in de bezwaarfase te verstrekken. Het besluit van 1 april 2014 berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dat het college deze overzichten niet tijdig heeft verstrekt, brengt echter niet met zich dat de rechtbank de overzichten niet bij haar uitspraak mocht betrekken in het kader van de definitieve geschilbeslechting.

6.3. De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] dat de calamiteitencoördinator/DTA-er van Strukton op 27 augustus 2013 onmogelijk 20,5 uur bij de woning kan zijn geweest, omdat de brand pas rond 09:30 uur is ontstaan, terecht geen aanleiding gevonden voor vernietiging van het besluit van 1 april 2014. Daartoe wordt overwogen dat uit het overzicht van Strukton van 27 augustus 2013 (onder: "personeel - bediening post 100100") volgt dat de calamiteitencoördinator/DTA-er het calamiteitenvoertuig bedient (onder: "materieel exclusief bediening - post 100100") en dat dit is geschied van 27 augustus 2013 tot en met 28 augustus 2013 9:00 uur. Kennelijk zien de gedateerde overzichten van Strukton op werkzaamheden van 9:00 uur tot 9:00 uur. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de aan [appellant] in rekening gebrachte werkzaamheden van Strukton voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en voldoende heeft onderbouwd en dat deze kosten redelijk zijn, behoudens de door Coolen gehanteerde opslag van 10% voor door Strukton uitgevoerde werkzaamheden.

6.4. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college de aan [appellant] in rekening gebrachte werkzaamheden van Coolen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, voldoende heeft onderbouwd en dat deze kosten redelijk zijn. Over het betoog dat het college ten onrechte niet heeft toegelicht welke bouwkundige werkzaamheden zijn verricht en in hoeverre die onderdeel uitmaken van de sanering, wordt overwogen dat uit het overzicht van Coolen bij de factuur van 26 september 2013 volgt dat kosten zijn gemaakt voor onder meer het gebruik van underlayment voor de beplating van de deuren en de kozijnen, alsmede dat hechthout en cilinder zaagbladen zijn gebruikt, en dat drie medewerkers in totaal 29,5 uur werkzaamheden hebben uitgevoerd.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen redenen zijn voor het college om geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal af te zien. Daartoe voert hij aan dat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt om binnen een redelijke termijn het volledige bedrag te voldoen. Voorts voert [appellant] aan dat hij niet is geïnformeerd over de kosten van de sanering. Ook is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat zijn woning ten tijde van de uitvoering van bestuursdwang tweemaal door derden is betreden en dat waardevolle spullen zijn weggenomen. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat het college bij zijn beslissing om over te gaan tot kostenverhaal had moeten betrekken dat er ernstige schade aan zijn woning is toegebracht en dat het herstel daarvan tienduizenden euro's kost. In dat verband wijst hij op door hem aangevraagde offertes.

7.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014 in zaak nr. 201401750/1/A4 terecht overwogen dat bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering kan onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt kan worden gemaakt en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. De rechtbank heeft daarvoor terecht geen aanleiding gezien, gelet op het aan [appellant] te wijten ontstaan van de situatie die aanleiding gaf tot de toepassing van spoedeisende bestuursdwang, aangezien hij een hennepkwekerij in zijn woning had, en het een feit van algemene bekendheid is dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij gepaard gaat met brandgevaar.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014 voorts terecht overwogen dat ook andere bijzondere omstandigheden dan hiervoor genoemd, het bestuursorgaan kunnen nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. Daarnaast dient te worden afgewogen of de hoogte van de kosten van de bestuursdwang aanleiding geeft om daar geheel of gedeeltelijk van af te zien. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat is gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de kosten van de bestuursdwang redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van [appellant] zouden moeten komen. De omstandigheid dat hij deze kosten niet zou kunnen betalen, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang redelijkerwijze niet voor zijn rekening kon brengen. Dat, zoals door [appellant] is gesteld, waardevolle spullen zijn weggenomen, brengt niet met zich dat de kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen. Het college heeft ter zitting van de Afdeling toegelicht dat er in overleg met [appellant] voor is gekozen om de goederen in zijn woning te saneren of af te voeren. Voorts heeft het college ter zitting van de Afdeling gesteld dat het de kosten voor de inzet van de brandweer niet bij [appellant] in rekening heeft gebracht. Dat, zoals door [appellant] is gesteld, zijn woning ernstig is beschadigd en dat het herstel daarvan tienduizenden euro's kost, heeft de rechtbank, gelet op het aan [appellant] te wijten ontstaan van de brand, terecht geen aanleiding gegeven voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

Conclusie

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de door [appellant] aan het college verschuldigde kosten van de toegepaste bestuursdwang € 71.209,15 bedragen en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 1 april 2014 voor zover dat is vernietigd. De Afdeling zal, gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen, het door de rechtbank vastgestelde bedrag verminderen met € 210,00. De Afdeling zal de door [appellant] aan het college verschuldigde kosten van de toepassing van de spoedeisende bestuursdwang vaststellen op een bedrag van € 70.999,15 en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 1 april 2014, voor zover dat door de rechtbank is vernietigd. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 december 2014 in zaak nr. 14/3008, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de door [appellant] aan het college verschuldigde kosten van de toegepaste spoedeisende bestuursdwang € 71.209,15 bedragen en voor zover de rechtbank heeft bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 1 april 2014 voor zover dat is vernietigd;

III. bepaalt dat de door [appellant] aan het college verschuldigde kosten van de toepassing van de toegepaste spoedeisende bestuursdwang € 70.999,15 bedragen;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 1 april 2014 voor zover dat door de rechtbank is vernietigd;

V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, voor zover aangevallen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.016,64 (zegge: duizendzestien euro en vierenzestig cent), waarvan € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,00 (zegge: tweehonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wijgerde

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2015

672.