Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201500144/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:15311, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201500144/1/V2.

Datum uitspraak: 19 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 december 2014 in zaak nr. 12/28653 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 december 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te Den Bosch, heeft een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In het hoger beroep van de staatssecretaris

1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2. De rechtbank heeft in deze zaak het uit Afdelingsuitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1 (www.raadvanstate.nl) voortvloeiende beoordelingskader toegepast. De wijze waarop de rechtbank voormeld beoordelingskader heeft toegepast, is echter niet overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2015 in zaken nrs. 201208550/1/V2, 201110141/1/V2 en 201210441/1/V2.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 oktober 2015 in zaak nr. 201502715/1/V2 dient de bestuursrechter in een zaak als deze, waarin de vreemdeling zijn gestelde seksuele gerichtheid en de in verband daarmee in zijn land van herkomst ondervonden problemen op een later moment als asielmotief heeft aangevoerd, het standpunt van de staatssecretaris over die gerichtheid en uiteraard ook over de in verband daarmee in het land van herkomst ondervonden problemen in een besluit van gelijke strekking te toetsen als ware het een eerste weigering een asielvergunning te verlenen.

3. Aan de vraag of zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden voordoen, als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (www.echr.coe.int), kon de rechtbank niet toekomen. De enige grief van de staatssecretaris, waarin deze klaagt over de beantwoording van die vraag door de rechtbank, behoeft geen bespreking, omdat de rechtbank het besluit van 17 augustus 2012, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 in zaak nr. 201109928/1/V2, terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft vernietigd. De staatssecretaris zal met inachtneming van voormelde uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 opnieuw op de aanvraag moeten beslissen.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

3. De vreemdeling heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond is. Nu het hoger beroep van de staatssecretaris, gelet op het voorgaande, kennelijk ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.

Conclusie

4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. Het door de vreemdeling ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2015

594.