Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:364

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
201404349/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:2638, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het college geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een overkapping op het perceel [locatie], te Hilvarenbeek (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/165 met annotatie van H. Wiersema
Gst. 2015/72 met annotatie van B. Kaya
JOM 2015/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404349/1/A1.

Datum uitspraak: 11 februari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 april 2014 in zaak nr. 13/6277 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Hilvarenbeek

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het college geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een overkapping op het perceel [locatie], te Hilvarenbeek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 september 2013 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 april 2014 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het college veroordeeld tot het betalen van immateriële schadevergoeding van € 1.500,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2014, waar het college, vertegenwoordigd door J. van Beers en mr. J. Gielen, beiden werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [wederpartij] geen immateriële schade heeft geleden als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar. Daartoe voert het college aan dat [wederpartij] de overkapping op het perceel heeft gebouwd en daarvan al jaren gebruik maakt. Voorts is van spanning en frustratie bij [wederpartij] niet gebleken, nu [wederpartij] nooit bij het college heeft geïnformeerd naar het uitblijven van het besluit op bezwaar en het college voorts door hem niet ingebreke is gesteld, aldus het college. De frustratie is volgens het college enkel gelegen in de ongegrondverklaring van het bezwaar.

2.1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Bij het ontbreken van een wettelijke regeling voor verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, kan deze wet naar analogie daarop worden toegepast.

Nu het verzoek van [wederpartij] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in dit geval betrekking heeft op de procedure ten aanzien van een besluit dat na 1 juli 2013 is bekendgemaakt, is hierop de op 1 juli 2013 in werking getreden Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten van toepassing.

2.2. Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, van toepassing, omdat het primaire besluit dateert van vóór 2 februari 2014. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde.

Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

2.3. Vast staat en tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM met ruim één jaar en twee maanden was overschreden en deze overschrijding aan het college is toe te rekenen, nu het eerst na ongeveer 3,5 jaar een besluit op bezwaar heeft genomen. De ingewikkeldheid van de zaak en het processuele gedrag van [wederpartij] geven geen aanleiding om die overschrijding rechtvaardig te achten. Tussen partijen is thans slechts in geschil of [wederpartij] door de overschrijding van de redelijke termijn immateriële schade heeft geleden en de rechtbank terecht, met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het college heeft veroordeeld in de vergoeding van deze schade.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 mei 2013 (nr. 201208725/1/A1), volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer de uitspraak van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, (nr. 62361/00, JB 2006, 134), dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.

De door het college aangevoerde omstandigheden zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan niet van de veronderstelling dat [wederpartij] spanning en frustratie heeft ondervonden door de overschrijding van de redelijke termijn kan worden uitgegaan en de rechtbank heeft het college derhalve terecht veroordeeld tot betalen van schadevergoeding.

Het betoog faalt.

3. Voor zover het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het ten onrechte is gelast het door [wederpartij] betaalde griffierecht in beroep te vergoeden, faalt dit betoog. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank geen gebruik mocht maken van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:74, tweede lid, van de Awb.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek een griffierecht van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Kramer w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015

414-789.