Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3636

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201502527/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 21 februari 2012 heeft het college verzoeken van [appellanten] om wijziging van hun persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba; thans: basisregistratie personen (hierna: de brp)) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201502527/1/A3.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Hoorn,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 21 februari 2012 heeft het college verzoeken van [appellanten] om wijziging van hun persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de gba; thans: basisregistratie personen (hierna: de brp)) afgewezen.

Bij besluit van 17 februari 2015 heeft het college de door [appellanten] tegen de besluiten van 21 februari 2012 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2015, waar [appellant A], bijgestaan door zijn [zoon], en het college, vertegenwoordigd door M. Klarenbeek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is op 6 januari 2014 vervangen door de op dit geding van toepassing zijnde Wet basisregistratie personen (hierna: Wet brp).

Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of be√ędigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 2.58, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisregistratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Op 9 januari 2012 hebben [appellanten] verzoeken ingediend tot wijziging van hun in de gba opgenomen persoonsgegevens. [appellant A] heeft verzocht zijn voornaam te wijzigen van [voornaam A] in [voornaam B], zijn geboortedatum van 1 januari 1956 in 1 mei 1965 en zijn geboorteplaats van Felfei in Idil. [appellant B] heeft verzocht haar naam te wijzigen van [naam A] in [naam B] en haar geboortedatum van 10 januari 1960 in 20 augustus 1971.

3. In de uitspraak van 14 mei 2014 in zaak nr. 201304769/1/A3 heeft de Afdeling overwogen dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of [appellanten] bij een verklaring van 21 december 2007 de vereiste documenten hebben overgelegd en of daaraan persoonsgegevens kunnen worden ontleend. De verklaring is een verklaring tot aanpassing van de identiteit in de administratie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) en de gba in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet. [appellanten] stellen dat zij op de verklaring de juiste persoonsgegevens hebben vermeld, maar zij bij vergissing hebben aangekruist dat zij hun identiteit niet willen herstellen.

4. Bij het besluit van 17 februari 2015 stelt het college zich op het standpunt dat het de bij de verklaring overgelegde stukken bij de IND heeft opgevraagd en deze identiek zijn aan de documenten die bij de verzoeken van 9 januari 2012 zijn overgelegd. Nu volgens het college niet onomstotelijk vaststaat dat de overgelegde documenten betrekking hebben op [appellanten], heeft het college de besluiten tot afwijzing van de verzoeken om wijziging van persoonsgegevens in de gba gehandhaafd.

5. [appellanten] betogen dat het college de door hen ingediende verzoeken om wijziging van hun persoonsgegevens in de gba ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voeren zij aan dat het college, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2014, in het besluit van 17 februari 2015 ten onrechte niet is ingegaan op de verklaring van 21 december 2007. Voorts voeren zij aan dat de bij de verzoeken overgelegde stukken onomstotelijk aantonen dat de in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juli 2015 in zaak nr. 201500799/1/A3) dient voorop te worden gesteld dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor de gegevens omtrent de burgerlijke staat die niet aan de Nederlandse burgerlijke stand kunnen worden ontleend, heeft de wetgever een rangorde aangegeven in de geschriften waaraan deze gegevens mogen worden ontleend. Aan een "lager" document mogen gegevens worden ontleend wanneer op het tijdstip van inschrijving in redelijkheid geen "hoger" document kan worden overgelegd. Dit doet evenwel niet af aan de plicht van de burger om eventueel ook na de inschrijving alsnog zo sterk mogelijke documenten te leveren (Kamerstukken II 2011-2012, 33 219, nr. 3, blz. 126). Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

5.2. Zoals hiervoor onder 4. is weergegeven heeft het college de bij de verklaring van 21 december 2007 overgelegde stukken bij de IND opgevraagd en bij de beoordeling van de bezwaren van [appellanten] meegenomen. Hetgeen in de verklaring zelf is opgenomen over de persoonsgegevens van [appellanten] behoefde het college niet bij het besluit van 17 februari 2015 te betrekken, nu de verklaring geen geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp is. Het college heeft derhalve op juiste wijze gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2014.

Bij de verzoeken hebben [appellanten] ieder afzonderlijk een uittreksel van een in Turkije opgemaakte geboorteakte en een uittreksel van het Turkse bevolkingsregister overgelegd. Bij [appellant A] zijn de uit de door hem overgelegde uittreksels voortvloeiende gegevens wat betreft voornaam, geboortedatum en geboorteplaats verschillend van de in de brp geregistreerde gegevens. Bij [appellant B] zijn de gegevens wat betreft voornaam, geslachtsnaam en geboortedatum verschillend. Het college heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat niet onomstotelijk vaststaat dat de overgelegde documenten betrekking hebben op [appellanten] en daarom niet onomstotelijk vaststaat dat de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Verheij w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

582-819.