Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201503576/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Julianalaan-Frederik Hendriklaan" vastgesteld (hierna: het plan).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503576/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zeist,

appellant,

en

de raad van de gemeente Zeist,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Julianalaan-Frederik Hendriklaan" vastgesteld (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij besluit van 8 september 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Julianalaan-Frederik Hendriklaan" gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelplan).

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] zijn zienswijze over het herstelplan naar voren gebracht.

De raad heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door ing. D.T. Melman en S. Anakrouch-Tihouna, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de bouw van vijfentwintig grondgebonden woningen, waarvan zes zorgwoningen, met bijbehorende voorzieningen op een voormalige bedrijfslocatie in een gebied gelegen tussen de Julianalaan en de Frederik Hendriklaan te Zeist. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen", de bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’ en de functieaanduiding ‘zorgwoning’, dat voorziet in de verwezenlijking van de zes zorgwoningen achter zijn woning aan de [locatie] te Zeist.

3. In zowel het bij besluit van 3 maart 2015 vastgestelde plan, als het bij besluit van 8 september 2015 vastgestelde herstelplan staat in de plantoelichting dat de daarin voorziene zorgwoningen zullen worden ontsloten via het terrein van het appartementencomplex "Oranjehof" (hierna: de Oranjehof), dat op de hoek van de Julianalaan en de Arnhemsebovenweg is gelegen, en dat op het bij dat complex behorende parkeerterrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de voorziene zorgwoningen. Daartoe zal het bestaande parkeerterrein worden heringericht, aldus de plantoelichting.

In het besluit van 3 maart 2015 is de raad er daarbij vanuit gegaan dat voor de in het plan voorziene woningen en de bestaande woningen in de Oranjehof in totaal zevenentwintig parkeerplaatsen benodigd zijn, waarbij de raad ervan uitgegaan is dat voor de woningen van de Oranjehof een parkeernorm geldt van 0,6 parkeerplaats per woning en voor de in het plan voorziene zorgwoningen van 0,6 parkeerplaats per woning.

In het besluit van 8 september 2015 gaat de raad ervan uit dat voor de woningen van de Oranjehof een parkeerbehoefte bestaat gelijk aan het totaal aantal van dertig bestaande parkeerplaatsen. Tezamen met het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de in het herstelplan voorziene zorgwoningen is de totale parkeerbehoefte van Oranjehof en de voorziene zorgwoningen vierendertig parkeerplaatsen, derhalve zeven parkeerplaatsen meer dan waarvan de raad uitging in het besluit van 3 maart 2015. In het besluit van 8 september 2015 staat dat in het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien door herinrichting van het bestaande parkeerterrein. Daarbij dient tevens één extra parkeerplaats te worden gerealiseerd, in verband met het vervallen van een parkeerplaats langs de Julianalaan, waar een nieuwe toegang tot een aantal parkeerplaatsen wordt gesitueerd, zodat in totaal vijfendertig parkeerplaatsen op de gronden van het bestaande parkeerterrein van de Oranjehof moeten worden verwezenlijkt.

4. Met het herstelplan dat is vastgesteld bij besluit van 8 september 2015 heeft de raad het plan dat is vastgesteld bij besluit van 3 maart 2015 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Beroep tegen het herstelplan

5. [appellant] betoogt dat de in het herstelplan voorziene zorgwoningen, gelet op de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure), op een te korte afstand liggen van het aan het plangebied grenzende bestaande tuincentrum aan de Arnhemse Bovenweg 15-B. Volgens [appellant] kan aldus voor de bewoners van de voorziene zorgwoningen geen goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, onder meer omdat de toekomstige bewoners geluidoverlast van de bedrijvigheid van het tuincentrum zullen ondervinden.

5.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

5.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.3. De in de VNG-brochure aanbevolen afstanden zijn indicatieve normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat bij woningen enerzijds en de belangen van omliggende bedrijven anderzijds. Voor [appellant] gaat het om het belang dat hij gevrijwaard blijft van woningbouw achter zijn woning. Hij betoogt echter dat door de raad onvoldoende rekening is gehouden met de aanbevolen richtafstand tussen de in het herstelplan voorziene zorgwoningen en het ten noorden daarvan gelegen tuincentrum. De Afdeling overweegt dat de in geding zijnde afstandsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van voormeld belang van [appellant], nu hij deze beroepsgrond heeft aangevoerd met het oog op de bescherming van de toekomstige bewoners van de in het herstelplan voorziene zorgwoningen. Uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op zijn eigen perceel. Deze beroepsgrond van [appellant] kan derhalve gelet op artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot een vernietiging van het besluit van 8 september 2015, waarbij het herstelplan is vastgesteld. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

6. [appellant] betoogt dat in het herstelplan ten onrechte onvoldoende is voorzien in parkeergelegenheid en daardoor moet worden gevreesd voor onaanvaardbare parkeerhinder. Ter onderbouwing van zijn betoog dat het herstelplan onvoldoende voorziet in parkeergelegenheid ten behoeve van de daarin voorziene zorgwoningen, voert [appellant] allereerst aan dat de raad voor de in het herstelplan voorziene zorgwoningen ten onrechte een parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per woning hanteert. Volgens hem is in het herstelplan onvoldoende verzekerd dat de woningen worden bewoond door mensen met een zorgvraag, zodat de raad had moeten uitgaan van de normen voor reguliere (goedkope) woningen.

6.1. Wat betreft de parkeerbehoefte van de in het herstelplan voorziene zes zorgwoningen heeft de raad aansluiting gezocht bij het beleid zoals neergelegd in de Parkeerbeleidsnota Zeist van 3 mei 2004 (hierna: de Parkeerbeleidsnota). In de plantoelichting staat vermeld dat in de Parkeerbeleidsnota parkeernormen zijn opgenomen die zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. In deze kencijfers wordt een boven- en een ondergrens aangegeven. De in de Parkeerbeleidsnota gehanteerde parkeernormen gaan uit van de bovengrens, aldus de plantoelichting. De raad heeft voor de te verwachten parkeerbehoefte van de in het herstelplan voorziene zorgwoningen aansluiting gezocht bij de in de Parkeerbeleidsnota vermelde normen voor serviceflats/aanleunwoningen. In de plantoelichting is in dat verband toegelicht dat de Parkeerbeleidsnota de term zorgwoning niet kent, maar dat de zorgwoningen gelijk gesteld kunnen worden aan serviceflats of aanleunwoningen zoals bedoeld in de Parkeerbeleidsnota, nu het net als bij serviceflats en aanleunwoningen gaat om zelfstandige woningen met beperkte zorgvoorzieningen.

6.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'zorgwoning', uitsluitend zorgwoningen als bedoeld in lid 1.37 zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 1.37 van de planregels wordt onder zorgwoning verstaan: een zelfstandige woning die specifiek geoormerkt is voor mensen met een zorgvraag. Deze woningen zijn blijvend geschikt of eenvoudig geschikt te maken voor bewoners van alle leeftijden met een zorgvraag.

6.3. Gelet op die bepalingen heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat de in het herstelplan voorziene woningen specifiek zijn bestemd voor bewoning door mensen met een zorgvraag. Onder die omstandigheden heeft de raad voor de voorziene zes zorgwoningen in redelijkheid aansluiting mogen zoeken bij de in de Parkeerbeleidsnota voor serviceflat/aanleunwoning opgenomen parkeernorm van 0,6 parkeerplaats per woning.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de raad er bij het besluit tot vaststelling van het herstelplan ten onrechte van is uitgegaan dat het benodigde aantal van vijfendertig parkeerplaatsen kan worden verwezenlijkt op het bestaande parkeerterrein van de Oranjehof. Volgens hem is de op dat terrein beschikbare ruimte onvoldoende om dat aantal parkeerplaatsen te kunnen realiseren.

7.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat er na herinrichting van het bestaande parkeerterrein van de Oranjehof voldoende parkeergelegenheid zal zijn om te voldoen aan de parkeerbehoefte van de woningen in de Oranjehof en de in het herstelplan voorziene zorgwoningen. De door de raad beoogde herinrichting van het parkeerterrein van de Oranjehof is weergegeven in figuur 8 van de plantoelichting van het herstelplan. Uit die figuur blijkt echter dat van de benodigde vijfendertig parkeerplaatsen er acht niet zijn voorzien op de gronden waarop het bestaande parkeerterrein is gelegen, maar op gronden direct ten zuiden van het appartementencomplex Oranjehof. Aan deze gronden is in het bestemmingsplan "Hoge Dennen - Kerckebosch", vastgesteld door de raad op 16 februari 2010, de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a-c, van de planregels van voormeld bestemmingsplan zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen, de instandhouding van het boskarakter ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin - bos' en een ontsluiting voor het gemotoriseerde verkeer ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’. Anders dan waarvan de raad is uitgegaan kunnen ter plaatse van deze gronden geen parkeerplaatsen worden verwezenlijkt. De raad is er derhalve ten onrechte vanuit gegaan dat in de benodigde parkeerbehoefte ten behoeve van de zorgwoningen kan worden voorzien door herinrichting van de gronden waarop het bestaande parkeerterrein van de Oranjehof is gelegen.

7.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 8 september 2015, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" met de bouwaanduiding ‘aaneengesloten’ en de functieaanduiding ‘zorgwoning’ - in strijd met artikel 3:2 van de Awb - niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het beroep tegen dit besluit is gegrond en het besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Beroep tegen het plan

8. Nu het herstelplan dat is vastgesteld bij besluit van 8 september 2015 voor zover het betreft het plandeel met de bestemming Wonen" met de bouwaanduiding ‘aaneengesloten’ en de functieaanduiding ‘zorgwoning’ - gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 7.2 - dient te worden vernietigd, heeft [appellant] belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het plan dat is vastgesteld bij besluit van 3 maart 2015.

In navolging van hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd, heeft de raad, blijkens onder meer het herstelplan en het aanvullend verweerschrift, erkend dat in het plan voor de beoordeling van de bestaande parkeerbehoefte wegens de achtendertig woningen in de naast het plangebied gelegen Oranjehof ten onrechte is uitgegaan van een parkeerbehoefte van 0,6 parkeerplaats per woning en dat ingevolge de Parkeerbeleidsnota voor de Oranjehof het bestaande aantal van dertig parkeerplaatsen dient te worden gehandhaafd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het plan heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduidingen ‘aaneengesloten’ en ‘zorgwoning’ - in strijd met artikel 3:2 van de Awb - niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep tegen het besluit van 3 maart 2015 is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

9. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 3 maart 2015 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zeist van 3 maart 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Julianalaan-Frederik Hendriklaan", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduidingen ‘aaneengesloten’ en ‘zorgwoning’;

III. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 september 2015 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zeist van 8 september 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Julianalaan-Frederik Hendriklaan", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduidingen ‘aaneengesloten’ en ‘zorgwoning’;

V. draagt de raad van de gemeente Zeist op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II en IV, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Zeist aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, griffier.

w.g. Uylenburg w.g. Taal

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

325-823.