Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201502710/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:2457, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag aan [appellant] over het jaar 2010 op nihil vastgesteld en € 906,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201502710/1/A2.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2015 in zaak nr. 14/9064 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag aan [appellant] over het jaar 2010 op nihil vastgesteld en € 906,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 22 september 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2015, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, werkzaam aldaar, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder woning verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt een huurtoeslag slechts toegekend:

a. als de huurder, diens partner alsmede degenen die medebewoner van de woning zijn, op het adres van die woning zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: GBA; thans: basisregistratie personen);

b. als op dat adres geen andere personen staan ingeschreven in de GBA, behoudens eventueel een onderhuurder en personen die behoren tot diens huishouden.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een huurtoeslag worden toegekend, als de onjuiste inschrijving in de GBA niet aan de huurder kan worden toegerekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een huurtoeslag slechts toegekend voor de huur van een woning die een zelfstandige woonruimte of een onvrije etage is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awir wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder medebewoner verstaan de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1˚. de partner van de belanghebbende,

2˚. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3˚. degene die tot het huishouden van de onder 2˚ bedoelde persoon behoort.

2. Op 20 september 2010 heeft [appellant] voor het adres [locatie] te [plaats] met ingangsdatum 1 september 2010 huurtoeslag aangevraagd.

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen voor dat adres voor de periode 1 september tot en met 31 december 2010 een voorschot huurtoeslag aan hem toegekend van € 906,00.

Aan het besluit van 22 april 2014, gehandhaafd bij besluit van 22 september 2014, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellant] eerst vanaf 15 september 2010 in de GBA op het adres [locatie] te [plaats] is ingeschreven, zodat hij voor de periode 1 september tot en met 30 september 2010 geen recht op huurtoeslag heeft. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen daaraan ten grondslag gelegd dat in de periode 1 oktober tot en met 31 december 2010 diverse andere personen op het woonadres van [appellant] stonden ingeschreven en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die periode alleen een zelfstandige woonruimte bewoonde, zodat hij ook in die periode geen aanspraak heeft op huurtoeslag.

3. Niet in geschil is dat [appellant] in de periode 15 september 2010 tot en met 9 november 2013 op het adres in de GBA stond ingeschreven. Voorts is niet in geschil dat in die periode meerdere andere personen eveneens op dat adres in de GBA stonden ingeschreven.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over 2010 terecht op nihil heeft vastgesteld en het uitbetaalde bedrag heeft teruggevorderd. Daartoe voert hij aan dat uit de door hem overgelegde foto’s blijkt dat hij een zelfstandige woonruimte huurde. De rechtbank had op grond daarvan zelf moeten vaststellen dat zijn woning een zelfstandige woonruimte is. Voorts voert hij aan dat het voor hem niet mogelijk is om aan te tonen dat personen die op zijn woonadres stonden ingeschreven niet tot zijn huishouden behoorden.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 27 december 2012 in zaak nrs. 201204442/1/A2 en 201204853/1/A2) mag de Belastingdienst/Toeslagen er in beginsel van uitgaan dat op één GBA-adres één zelfstandige woning is gelegen en degenen die op hetzelfde GBA-adres zijn ingeschreven, met uitzondering van de onderhuurder en degenen die behoren tot diens huishouden, mag aanmerken als medebewoners die behoren tot hetzelfde huishouden als de aanvrager van de huurtoeslag. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat op één GBA-adres meer zelfstandige woningen zijn gelegen door bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de gehuurde woning beschikt over een eigen toegang en wezenlijke voorzieningen die niet met andere bewoners op hetzelfde adres worden gedeeld. Voorts dient de huurder aan te tonen dat degene die de Belastingdienst/Toeslagen als medebewoner heeft aangemerkt niet tot zijn huishouden behoort of heeft behoord.

4.2. [appellant] is door de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 12 augustus 2014 in de gelegenheid gesteld gegevens, zoals een huurovereenkomst of een verklaring van de verhuurder over de indeling en inrichting van het pand, over te leggen waaruit blijkt dat hij een zelfstandige woning bewoonde. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat [appellant] geen huurovereenkomst met verhuurder Young heeft overgelegd. Dat [appellant] een zelfstandige woonruimte van Young huurde, blijkt evenmin uit de door hem overgelegde bankafschriften. De daarop vermelde betalingen zijn niet aan verhuurder Young verricht maar aan een ander, namelijk de stichting Meet the British.

[appellant] heeft in beroep en hoger beroep voorts foto’s met door hem daarbij gemaakte aantekeningen overgelegd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, valt daaruit niet af te leiden dat hij een zelfstandige woonruimte huurde. In dit verband heeft de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting voorts nog toegelicht dat uit de foto’s niet kan worden afgeleid dat deze betrekking hebben op de toenmalige woonruimte van [appellant].

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Kramer w.g. Rijsdijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

705.