Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201500727/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7741, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek om schadevergoeding van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201500727/1/A2.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 december 2014 in zaak nr. 14/6541 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek om schadevergoeding van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij hem voorwaardelijk een bedrag van € 413,00 is toegekend.

Bij uitspraak van 16 december 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld, waarbij hij de Afdeling heeft verzocht de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade van in totaal € 200.000,00.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft het onverplicht overgelegde nadere stuk waarop [appellant] had vermeld dat uitsluitend de Afdeling hiervan kennis mocht nemen, aan hem teruggezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2015, waar [appellant], vergezeld door M.H. van Buuren, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met het vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2. Bij het, op bezwaar genomen, besluit van 21 februari 2012, heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over de periode van januari tot en met augustus 2009 herzien vastgesteld op € 1.242,01 per maand. De rechtbank heeft dit besluit bij uitspraak van 20 februari 2013 in zaak nr. 12/154 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij zij heeft overwogen dat hij de opvang in de nachtelijke uren had moeten betrekken bij de vaststelling van dat voorschot. Bij uitspraak van 24 december 2013 in zaak nr. 201303128/1/A2 heeft de Afdeling het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen hiertegen ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd.

3. [appellant] heeft de Belastingdienst/Toeslagen in verband met de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2009 bij brief van 28 februari 2014, aangevuld bij brief van 11 maart 2014, verzocht om een vergoeding van € 8.006,00 (hierna: het verzoek).

Aan de afwijzing van het verzoek bij besluit van 25 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat hij zich niet onrechtmatig jegens [appellant] heeft gedragen en de gestelde schade niet nader is onderbouwd.

Naar aanleiding van het hiertegen gerichte bezwaar en een klacht van [appellant], heeft de Belastingdienst/Toeslagen hem bij besluit van 4 juli 2014, omdat hij niet altijd zorgvuldig jegens [appellant] is geweest en uit coulance, een bedrag van € 413,00 toegekend, voor de door hem voor de gerechtelijke procedures gemaakte reiskosten en gederfde inkomsten en zijn proceskosten in beroep. Bij dit besluit heeft de Belastingdienst/Toeslagen een kwijtingsformulier gevoegd.

4. De rechtbank heeft overwogen dat, alhoewel de onrechtmatigheid van het besluit van 21 februari 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen vast staat, geen aanleiding bestaat voor toekenning van een materiële schadevergoeding, omdat van materiële schade als gevolg van de onjuiste vaststelling van het voorschot kinderopvangtoeslag niet is gebleken en [appellant] de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen waarop hij recht had. De rechtbank heeft ook geen immateriële schadevergoeding toegekend, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door die onjuiste vaststelling zodanig heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als aantasting van zijn persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW).

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen hogere schadevergoeding heeft vastgesteld dan door de Belastingdienst/Toeslagen is toegekend. Volgens [appellant] is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat de Belastingdienst/Toeslagen de toekenning van de kinderopvangtoeslag in 2006 en 2007 heeft getraineerd, ook in de jaren daarna onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld en voorbij is gegaan aan de belangen van [appellant]. [appellant] voert aan dat de tien jaar durende strijd tegen de Belastingdienst/Toeslagen, en de continue poststroom en administratieve drukte die daarmee samenhing, hem heel veel tijd heeft gekost. Voorts voert hij aan dat die strijd een grote weerslag heeft gehad op hemzelf en zijn gezin en hij hierdoor gedurende tien jaar inkomsten heeft gederfd. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij door de problemen met de Belastingdienst/Toeslagen parttime in plaats van fulltime is blijven werken, hij door die problemen ook niet de stap heeft durven wagen om te gaan werken als zelfstandige, gezondheidsklachten en relatieproblemen heeft gekregen. [appellant] verzoekt de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot een vergoeding van in totaal € 200.000,00, voor de door [appellant] aan de procedures bestede tijd en de door hem gederfde inkomsten.

5.1. De Afdeling begrijpt uit het betoog van [appellant] dat hij de aangevallen uitspraak betwist en in hoger beroep verzoekt om een aanvullende schadevergoeding.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 26 juli 2006 in zaak nr. 200600648/1) blijkt dat in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

5.3. Met de vernietiging van het besluit van 21 februari 2012 over het toeslagjaar 2009 staat, naar niet in geschil is, vast dat dit besluit onrechtmatig was en deze onrechtmatigheid aan de Belastingdienst/Toeslagen kan worden toegerekend. Niet is gesteld of gebleken dat de bestuursrechter besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen over de toeslagjaren voor of na 2009 heeft vernietigd. Indien een besluit niet door de bestuursrechter is vernietigd, dient in beginsel van de rechtmatigheid daarvan te worden uitgegaan. Aangezien hetgeen is aangevoerd geen grond biedt om van dit uitgangspunt af te wijken, dient het verzoek om schadevergoeding, voor zover dit betrekking heeft op de toeslagjaren voor of na 2009, te worden afgewezen.

5.4. Het verzoek om [appellant] om vergoeding van de door hemzelf aan de procedures bestede tijd, dient eveneens te worden afgewezen. De vergoeding van de kosten in de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure kan slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Bpb plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van het Bpb en de bijlage van het Bpb. Gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is voor een volledige vergoeding van de door [appellant] aan de procedures bestede tijd langs de weg van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb geen plaats.

5.5. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de door hem gestelde inkomensderving en het onrechtmatige besluit van 21 februari 2012. Dat [appellant] niet fulltime is gaan werken, valt niet te herleiden tot dit besluit, nu hij reeds 10 jaar parttime werkt.

5.6. Voor zover [appellant] een vergoeding wenst voor de door hem gestelde immateriële schade, slaagt dit evenmin. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat hij door het besluit van 21 februari 2012 zodanig heeft geleden dat sprake is van aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW. Niet is gebleken dat de gestelde gezondheidsklachten en relatieproblemen het gevolg zijn van het besluit van 21 februari 2012. Deze klachten en problemen kunnen, gelet op het beeld dat [appellant] in zijn aanvullende stuk heeft geschetst, vele mogelijke oorzaken hebben.

5.7. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Het verzoek van [appellant] om een aanvullende schadevergoeding dient te worden afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Michiels w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

615.