Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3585

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201409977/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:5798, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij gezamenlijk besluit van 22 mei 2013 hebben de colleges van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, Lemsterland en Skarsterlân (rechtsvoorgangers van het college en hierna tezamen en in enkelvoud ook: het college) een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409977/1/A3.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2014 in zaak nr. 13/3066 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren (thans: De Fryske Marren).

Procesverloop

Bij gezamenlijk besluit van 22 mei 2013 hebben de colleges van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, Lemsterland en Skarsterlân (rechtsvoorgangers van het college en hierna tezamen en in enkelvoud ook: het college) een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft het college het besluit van 22 mei 2013 ingetrokken en [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2000 tot en met juni 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college het door het college als tweede bezwaarschrift opgevatte schrijven van 23 juni 2013 van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarover een zienswijze gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2015, waar het college, vertegenwoordigd door J.P. Huisman, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 12 april 2013 heeft [appellant] het college verzocht om hem ingevolge de Wob de navolgende documenten toe te sturen:

"1. Voor de periode 2000 tot en met heden; welke oud-bestuurders ontvangen wachtgeld? Inclusief naam.

2. Hoeveel geld hebben de betreffende oud-bestuurders per jaar per persoon ontvangen?

3. Ontvangen oud-raadsleden ook wachtgeld?

4. Zo ja, wie zijn dat en hoeveel hebben zij per jaar per persoon in periode van 2000 tot en met heden ontvangen."

2. Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het college het verzoek afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, zwaarder weegt dan het belang van de openbaarheid van de namen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift geeft hij te kennen dat hij inzage wil in de betaalde wachtgelden per persoon per jaar en dat voor het college de mogelijkheid bestaat het een en ander te anonimiseren en bijvoorbeeld te verwijzen naar Persoon 1, Persoon 2 enzovoorts. Op die manier is de gevraagde informatie beschikbaar op persoons- en jaarniveau, maar wordt de privacy van de desbetreffende personen gerespecteerd, aldus [appellant].

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college het besluit van 22 mei 2013 ingetrokken en alsnog een overzicht verstrekt van de bedragen, voor zover die nog bekend zijn, die de oud-wethouders over de genoemde periode hebben ontvangen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat, waar in het oorspronkelijke verzoek de nadruk op de namen wordt gelegd, die in bezwaar op geanonimiseerde informatie inzake wachtgelden ligt, hetgeen een andere afweging behoefde. Voorts heeft het college te kennen gegeven dat oud-raadsleden geen wachtgeld ontvangen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase geen aanleiding bestaat. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte overwogen dat de intrekking van het besluit van 22 mei 2013 geen herroeping is wegens aan het college tegen te werpen onrechtmatigheid. Anders dan het college stelt volgt uit zijn Wob-verzoek namelijk niet dat hij de bedragen die de oud-wethouders en oud-raadsleden aan wachtgelden hebben ontvangen alleen gekoppeld aan hun namen wilde verkrijgen, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 april 2005 in zaak nr. 200407125/1), vindt herroeping plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van het in bezwaar bestreden besluit. In dit geval heeft het college het besluit van 22 mei 2013 naar aanleiding van het bezwaar ingetrokken en een nieuw besluit op het Wob-verzoek genomen.

De in bezwaar gemaakte kosten dienen te worden vergoed, indien de herroeping een gevolg is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Anders dan het college heeft gesteld is het verzoek van [appellant] tweeledig. Enerzijds wenst hij de namen van de oud-bestuurders en oud-raadsleden die wachtgeld hebben ontvangen te verkrijgen, anderzijds gaat het hem om de uitgekeerde bedragen. Uit de bewoordingen dat hij van de ‘betreffende’ oud-bestuurders de door hen ontvangen bedragen ‘per jaar per persoon’ wil weten, valt niet te constateren dat deze twee onderwerpen van het verzoek zodanig zijn verweven dat het één niet verstrekt kan worden zonder het ander. Het college heeft het verzoek van [appellant] te beperkt gelezen. Het college had derhalve reeds ten tijde van het besluit van 22 mei 2013 moeten bezien of de bedragen geanonimiseerd openbaar konden worden gemaakt. Dat het college dit niet heeft gedaan en daar naar aanleiding van het bezwaar van terug is gekomen, maakt dat de herroeping van het besluit van 22 mei 2013 een gevolg is van een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Derhalve was het college gehouden de door [appellant] in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. [appellant] betoogt dat het college de door hem bij brief van 23 juni 2013 nader ingediende bezwaargrond ten onrechte niet bij de beoordeling van zijn bezwaar heeft betrokken. De rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellant].

4.1. In hoger beroep is niet meer in geschil dat het college de brief van 23 juni 2013 tijdig heeft ontvangen.

Het college heeft ten onrechte het standpunt ingenomen dat de brief van 23 juni 2013, gelet op de inhoud daarvan, geen aanvulling van het bezwaarschrift is, maar een tweede bezwaarschrift. In die brief staat in de eerste zin vermeld dat [appellant] het in die brief naar voren gebrachte als aanvullende grond van bezwaar wenst in te brengen. Hoewel [appellant] verder in de brief ten onrechte stelt een overzicht te hebben ontvangen, is uit de brief te herleiden dat hij de achterliggende stukken, zoals loonstaten of jaaropgaven, wenst te ontvangen. Voorts zijn het bezwaarschrift en de brief van 23 juni 2013, anders dan het college heeft gesteld, niet onderling in tegenspraak. Dat [appellant] in zijn bezwaarschrift te kennen heeft gegeven dat de bedragen geanonimiseerd konden worden, maakt niet dat hij daarmee zijn verzoek heeft beperkt voor zover dat ziet op de verkrijging van de achterliggende stukken, waar zijn brief van 23 juni 2013 op is gericht. Daarover had hij zich in zijn bezwaarschrift immers niet uitgelaten.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 25 maart 2015 in zaak nr. 201403381/1/A3, overweegt de Afdeling dat het door [appellant] kenbaar gemaakte verzoek om de door hem verzochte informatie te verstrekken in de vorm van bestaande documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven, als nadere invulling van het oorspronkelijke verzoek kan worden beschouwd. Het college was derhalve gehouden daarover inhoudelijk te oordelen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2013 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikelen 7:12, eerste lid, en 7:15, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover het college de nadere bezwaargrond niet heeft beoordeeld en geen proceskostenvergoeding aan [appellant] heeft toegekend.

6. Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het college het door het college als tweede bezwaarschrift opgevatte schrijven van 23 juni 2013 van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

6.1. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] terecht betoogd dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn brief van 23 juni 2013 een tweede bezwaarschrift behelst in plaats van een nadere bezwaargrond. Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 juni 2015 dient reeds gelet daarop te worden vernietigd. Het betoog van [appellant] dat hij ten onrechte niet is gehoord behoeft daardoor geen bespreking. Het college dient een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

7. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2014 in zaak nr. 13/3066;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de colleges van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, Lemsterland en Skarsterlân van 29 oktober 2013, kenmerk 13770, voor zover de colleges daarin niet hebben besloten over openbaarmaking van jaaropgaven en loonstaten over de periode 2000 tot en met 12 april 2013 en geen proceskostenvergoeding aan [appellant] hebben toegekend;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren van 8 juni 2015 kenmerk 15396, gegrond;

VI. vernietigt het onder V genoemde besluit;

VII. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.715,00 (zegge: zeventienhonderdvijftien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 406,00 (zegge: vierhonderdzes euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Steendijk w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

582-773.