Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3584

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201409976/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:5797, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2005 tot en met april 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201409976/1/A3.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2014 in zaak nr. 13/2835 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2005 tot en met april 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 oktober 2013 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 13 januari 2015 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 11 juni 2013 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover de namen van de oud-wethouders niet openbaar waren gemaakt. Deze namen zijn met dit besluit alsnog verstrekt. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarover een zienswijze gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Faber, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft ter zitting de vraag opgeworpen of [appellant] misbruik van recht heeft gemaakt. In navolging van haar uitspraak van 25 maart 2015 in zaak nr. 201403381/1/A3 ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een dergelijke conclusie te komen.

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef, verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm.

3. Bij brief van 26 april 2013 heeft [appellant] het college verzocht om hem ingevolge de Wob de navolgende documenten toe te sturen:

"1. Voor de periode 2000 tot en met heden; welke oud-bestuurders ontvangen wachtgeld? Inclusief naam.

2. Hoeveel geld hebben de betreffende oud-bestuurders per jaar per persoon ontvangen?

3. Ontvangen oud-raadsleden ook wachtgeld?

4. Zo ja, wie zijn dat en hoeveel hebben zij per jaar per persoon in periode van 2000 tot en met heden ontvangen."

4. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 11 juni 2013 heeft het college een geanonimiseerd overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders vanaf 2005 hebben ontvangen. De bedragen die in de jaren daarvoor aan wachtgelden zijn verstrekt zijn niet meer bekend. Aan oud-raadsleden wordt geen wachtgeld betaald, aldus het college.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 november 2014 overwogen dat het verzoek van [appellant] naar inhoud niet onduidelijk was. Het verstrekken van een overzicht met (bruto) bedragen is daarop een toereikende reactie, zodat het college bij de heroverweging op bezwaar niet de slotsom heeft behoeven te trekken dat aanvullend documenten dienden te worden verstrekt, aldus de rechtbank.

5. [appellant] bestrijdt deze overweging van de rechtbank. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de in zijn bezwaarschrift neergelegde nadere precisering van zijn verzoek dat hij loonstaten en jaaropgaven wenste te ontvangen, in plaats van een overzicht, bij de heroverweging in bezwaar had moeten betrekken. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat hij zijn verzoek met deze precisering heeft uitgebreid, aldus [appellant].

5.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 25 maart 2015 in zaak nr. 201403381/1/A3, overweegt de Afdeling dat het in bezwaar door [appellant] kenbaar gemaakte verzoek om de door hem verzochte informatie te verstrekken in de vorm van bestaande documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven, als nadere invulling van het oorspronkelijke verzoek kan worden beschouwd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] het verzoek met de in bezwaar gedane precisering heeft uitgebreid en dat het college niet was gehouden het bezwaar in zoverre als een verduidelijking van het verzoek aan te merken. Het college heeft derhalve ten onrechte niet besloten over openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond.

7. Het college heeft gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak op 13 januari 2015 een nieuw besluit genomen. Bij dat besluit heeft het college de namen van de oud-wethouders die wachtgeld hebben ontvangen openbaar gemaakt. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

8. [appellant] betoogt dat het college bij de berekening van de toegekende vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten een onjuiste puntwaarde van € 472,00 per punt heeft toegepast. Per 1 januari 2015 is de puntwaarde € 490,00, aldus [appellant].

8.1. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel IV, vierde lid, van de Regeling tot indexering van bedragen in de Awb, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Stcrt. 2014, 37105) per 1 januari 2015 geldt dat het tijdstip van de ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift maatgevend is voor de vraag welk bedrag van toepassing is. In die bepaling is voorts bepaald dat dit niet onverkort geldt wanneer de bestuursrechter de proceskosten vaststelt. In dat geval is het mogelijk dat moet worden uitgegaan van de bedragen zoals die gelden ten tijde van de uitspraak.

Nu het college zelf de proceskosten heeft vastgesteld is het college terecht uitgegaan van de bedragen zoals die golden ten tijde van de ontvangst van het bezwaarschrift. Ten tijde van het ontvangen van het bezwaarschrift op 30 juni 2013 gold een bedrag van € 472,00 per procespunt.

Het betoog faalt.

9. Gezien hetgeen onder 5 is overwogen heeft het college ten onrechte niet besloten over openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven, zodat het besluit van 13 januari 2015 in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen dit besluit dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het college dient alsnog te besluiten over openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven.

10. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 november 2014 in zaak nr. 13/2835 genomen besluit van het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel van 13 januari 2015 gegrond;

III. vernietigt dat besluit voor zover het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel daarin niet heeft besloten over openbaarmaking van loonstaten en jaaropgaven;

IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 735,00 (zegge: zevenhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Menameradiel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Steendijk w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

582-773.