Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201409620/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2000 tot en met 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201409620/1/A3.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 oktober 2014 in zaak nr. 13/3225 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Opsterland.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het college met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan [appellant] een overzicht verstrekt van de bedragen die oud-wethouders over de periode van 2000 tot en met 2013 aan wachtgelden hebben ontvangen.

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2013 vernietigd voor zover is geweigerd de namen van de oud-wethouders openbaar te maken, het besluit van 22 mei 2013 in zoverre herroepen, het college opgedragen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak de hiervoor bedoelde informatie alsnog openbaar te maken en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts heeft de rechtbank het college veroordeeld in de proceskosten in bezwaar ten bedrage van € 487,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 20 oktober 2015 ter zitting aan de orde gesteld.

Overwegingen

1. Bij brief van 9 december 2014 heeft het college beoogd, uitvoering gevend aan de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen voor zover dat ziet op de openbaarmaking van de namen van de oud-wethouders die wachtgelden hebben ontvangen. In de brief trekt het college het besluit van 11 oktober 2013 in, verklaart het het bezwaar, voor zover dat is gericht tegen de weigering de namen van de oud-wethouders die wachtgelden hebben ontvangen openbaar te maken, gegrond, herroept het ten aanzien van dat onderdeel het besluit van 22 mei 2013 en stelt het de te vergoeden proceskosten vast. Vervolgens heeft het college de namen openbaar gemaakt. De rechtbank heeft echter in haar uitspraak in dit alles reeds zelf voorzien. De brief is alleen de feitelijke uitvoering van hetgeen door de rechtbank is opgedragen en is niet gericht op enig rechtsgevolg. De brief is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef, verstrekt het bestuursorgaan de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm.

3. Bij brief van 26 april 2013 heeft [appellant] het college verzocht om hem ingevolge de Wob de navolgende documenten toe te sturen:

"1. Voor de periode 2000 tot en met heden; welke oud-bestuurders ontvangen wachtgeld? Inclusief naam.

2. Hoeveel geld hebben de betreffende oud-bestuurders per jaar per persoon ontvangen?

3. Ontvangen oud-raadsleden ook wachtgeld?

4. Zo ja, wie zijn dat en hoeveel hebben zij per jaar per persoon in periode van 2000 tot en met heden ontvangen."

4. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 mei 2013 heeft het college een geanonimiseerd overzicht verstrekt van de bedragen die de oud-wethouders in de verzochte periode aan wachtgelden hebben ontvangen.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 oktober 2014 overwogen dat het verzoek van [appellant] naar inhoud niet onduidelijk was. Voor het college bestond dan ook geen reden om een precisering van het verzoek te vragen. Het verstrekken van een overzicht met (bruto) bedragen die over de jaren 2000 tot en met 2013 aan oud-wethouders zijn uitgekeerd is daarop een toereikende reactie. Een redelijke uitleg van het verzoek laat ruimte voor zowel openbaarmaking van bruto als van netto bedragen. Indien [appellant] een voorkeur had voor bruto dan wel netto bedragen, lag het op zijn weg dat meteen bij het verzoek te vermelden, aldus de rechtbank.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de in zijn bezwaarschrift neergelegde nadere precisering van zijn verzoek bij de heroverweging in bezwaar had moeten betrekken en de verzochte documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven alsnog had moeten verstrekken. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte geen kennis genomen van die documenten, aldus [appellant].

5.1. Anders dan [appellant] betoogt was de rechtbank niet gehouden van de loonstaten of jaaropgaven kennis te nemen. Deze stukken hebben niet aan de besluitvorming van het college ten grondslag gelegen. In beroep lag in zoverre alleen de vraag voor of de nadere precisering al dan niet een uitbreiding van het verzoek was. Voor de beoordeling van die vraag is kennisname van de gevraagde documenten niet nodig.

5.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 25 maart 2015 in zaak nr. 201403381/1/A3, overweegt de Afdeling dat het in bezwaar door [appellant] kenbaar gemaakte verzoek om de door hem verzochte informatie te verstrekken in de vorm van bestaande documenten, zoals loonstaten en jaaropgaven, als nadere invulling van het oorspronkelijke verzoek kan worden beschouwd. Het college had het bezwaar in zoverre als verduidelijking van het verzoek moeten opvatten. Te meer nu in de bezwaarfase een heroverweging plaatsvindt en de specificering geen verruiming van het oorspronkelijke verzoek behelst. Het college was derhalve gehouden, behoudens aanwezige weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10 en 11 van de Wob, de gevraagde stukken openbaar te maken.

Gelet op de omstandigheid dat uit die documenten de aard van de bedragen zal blijken, behoeft het betoog van [appellant] dat de aangevallen uitspraak daarover een innerlijke tegenstrijdigheid bevat geen bespreking.

Het betoog slaagt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank de door hem gemaakte proceskosten voor de behandeling van zijn bezwaarschrift onjuist heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte geen punt is toegekend voor het telefonisch horen.

6.1. Het betoog slaagt. Op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder A4 dienden twee punten te worden toegekend, één punt voor het indienen van het bezwaarschrift en één punt voor het telefonisch horen.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van 11 oktober 2013 te vernietigen, voor zover het college daarbij geen besluit heeft genomen over openbaarmaking van jaaropgaven en loonstaten over de periode van 2000 tot en met 26 april 2013. Het college dient dit alsnog te doen.

Voorts moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 487,00.

8. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 oktober 2014 in zaak nr. 13/3225, voor zover de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van Opsterland heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 487,00 en voor zover de rechtbank heeft nagelaten het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Opsterland van 11 oktober 2013, kenmerk 2013-64528, te vernietigen, voor zover het daarbij geen besluit heeft genomen over openbaarmaking van jaaropgaven en loonstaten over de periode 2000 tot en met 26 april 2013;

III. vernietigt het onder II genoemde besluit in zoverre;

IV. bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Opsterland te nemen besluit op het bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Opsterland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Opsterland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Opsterland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Steendijk w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

582-773.