Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201401893/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2014:6554, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 december 2012 heeft de minister een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401893/1/A3.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2014 in zaak nr. 13/945 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2012 heeft de minister een verzoek van [appellante] om openbaarmaking van documenten buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de minister het besluit van 27 december 2012 herzien, alsnog documenten openbaar gemaakt en het verzoek om openbaarmaking voor het overige doorgestuurd naar de Politie Groningen.

Bij uitspraak van 17 januari 2014 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door haar tegen het besluit van 27 december 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2015, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Jansen en mr. H.O. Nieuwpoort, beiden werkzaam bij het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] betoogt dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister nog altijd geen besluit genomen op het door haar tegen het besluit van 27 december 2012 gemaakte bezwaar. Het besluit van 23 mei 2013 doet in dat verband niet ter zake, aangezien dat besluit slechts beoogt een gebrek in het besluit van 27 december 2012 te herstellen, aldus [appellante].

1.1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit. Hiermee is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 augustus 2010 in zaak nr. 200909861/1/H1) beoogd een procedureel middel te geven tegen het achterwege blijven van besluitvorming door een bestuursorgaan. In deze zaak is die situatie niet aan de orde. Nadat [appellante] bij brief van 5 februari 2013 bezwaar had gemaakt tegen het besluit van de minister van 27 december 2012, heeft de minister het besluit van 23 mei 2013 genomen. In dat besluit is vermeld dat bij het besluit van 27 december 2012 "per abuis" niet is voldaan aan het verzoek van [appellante] om openbaarmaking van documenten, dat laatstvermeld besluit wordt herzien, dat alsnog documenten worden verstrekt en dat het verzoek voor het overige wordt doorgestuurd. Er deed zich derhalve geen situatie voor waarin de minister 'stilzat' en tot besluitvorming diende te worden bewogen. Dat het besluit van 23 mei 2013, naar [appellante] stelt, niet aan alle vereisten van een besluit op bezwaar voldoet, maakt dat niet anders. Het stond [appellante] vrij om dat aan te voeren in een beroep tegen het besluit van 23 mei 2013. De rechtbank heeft het door [appellante] tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingestelde beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

640.