Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
201501805/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201501805/1/A3.

Datum uitspraak: 25 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Vlaardingen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 januari 2015 in zaak nr. 14/3337 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2014 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 14 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Küçükünal, advocaat te Schiedam, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wob draagt het bestuursorgaan er zo veel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan eenieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van documenten over de door de gemeente Vlaardingen gebruikte selectiecriteria voor vermogensonderzoeken in het buitenland via het Internationaal Bureau Fraude-informatie (hierna: het IBF) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) alsmede over het aantal door de gemeente Vlaardingen in het buitenland uitgevoerde IBF-onderzoeken ten aanzien van alle in de gemeente Vlaardingen wonende WWB-gerechtigden met een Turkse of andere etnische achtergrond.

Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek heeft het college ten grondslag gelegd dat de verzochte documenten niet bestaan.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door het college gedane mededeling dat de verzochte documenten niet bestaan, niet ongeloofwaardig is. Het college beschikt volgens hem in elk geval over brieven waarin het IBF wordt verzocht een vermogensonderzoek te doen. Verder wijst hij erop dat volgens een lijst van het Uwv, die hij ter zitting bij de Afdeling heeft overgelegd, voor de gemeente Vlaardingen acht vermogensonderzoeken zijn gedaan. Hij acht het onmogelijk dat het college geen daarop betrekking hebbende documenten heeft. Voorts heeft de rechtbank, door te overwegen dat de Wob niet verplicht tot vervaardiging van gegevens die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, de in artikel 2, tweede lid, van de Wob neergelegde verplichting miskend, aldus [appellant].

3.1. Het college heeft medegedeeld dat de door [appellant] verzochte documenten niet bestaan, omdat binnen de gemeente Vlaardingen geen selectiecriteria worden toegepast voor het aanmelden van zaken bij het IBF en niet wordt geregistreerd hoeveel verzoeken om vermogensonderzoek bij het IBF zijn gedaan.

Niet in geschil is dat de gemeente Vlaardingen bij het IBF verzoeken tot het verrichten van vermogensonderzoek heeft gedaan en dat voor de gemeente Vlaardingen vermogensonderzoeken zijn verricht. Derhalve kan op zich aannemelijk worden geacht dat, zoals [appellant] stelt, onder het college documenten berusten waarin deze verzoeken zijn neergelegd of die anderszins op deze verzoeken betrekking hebben. [appellant] heeft echter niet verzocht om openbaarmaking van alle aan het IBF gerichte verzoeken of alle documenten betreffende vermogensonderzoeken door het IBF, maar van documenten over selectiecriteria voor vermogensonderzoeken door het IBF en documenten over het aantal van die onderzoeken die het IBF ten aanzien van inwoners van Vlaardingen heeft uitgevoerd. Dat het college die informatie - naar [appellant] stelt - kan vervaardigen, maakt niet dat het college beschikt over documenten waarin die informatie reeds is neergelegd. De rechtbank heeft daarom de mededeling van het college terecht geloofwaardig geacht en evenzeer terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college niettemin beschikt over documenten die vallen onder zijn verzoek.

3.2. Artikel 2, tweede lid, van de Wob verplicht bestuursorganen ertoe om er zoveel mogelijk zorg voor te dragen dat overeenkomstig de Wob verstrekte informatie actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is. Voor zover de Wob niet tot openbaarmaking verplicht, mist deze bepaling toepassing. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat deze bepaling het college verplicht tot het vervaardigen van gegevens die niet in bestaande documenten zijn neergelegd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Herweijer

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2015

640.