Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201506918/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde partiële herziening bestemmingsplan IJsselstein Zuidoost, Cals college" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506918/2/R2.

Datum uitspraak: 10 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te IJsselstein,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente IJsselstein,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde partiële herziening bestemmingsplan IJsselstein Zuidoost, Cals college" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 oktober 2015, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [verzoeker], bijgestaan door ing. G.C.M. Verkleij, en de raad, vertegenwoordigd door M. Knol, werkzaam bij UW Samenwerking, en N.E.C. Versteegh, werkzaam bij de Omgevingsdienst Regio Utrecht, bijgestaan door mr. J.P. van Vulpen, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting Stichting Katholiek Voortgezet Onderwijs Nieuwegein/IJsselstein en omstreken (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door N.G.T. de Jong en H.J. de Vetter, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet voor de gronden aan de Hoge Dijk 1 te IJsselstein in een uitbreiding van de bestaande bebouwing van de middelbare school Cals College IJsselstein.

3. [verzoeker] en anderen wonen aan de [locatie 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7] te IJsselstein. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, dat voorziet in een ontwikkeling in de directe nabijheid van hun woningen. Zij vrezen dat het plan zal leiden tot een verslechtering van hun woon- en leefklimaat.

4. [verzoeker] en anderen betogen dat het plangebied van het vastgestelde plan ten onrechte niet overeenkomt met het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan en dat het besluit van de raad van 2 juli 2015 niet ziet op een aanpassing van de grenzen van het plangebied.

4.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze wijzigingen van het ontwerp betreffen onder meer tegemoetkomingen aan de door [verzoeker] en anderen naar voren gebrachte zienswijzen.

In het raadsbesluit van 2 juli 2015 staat dat de raad besluit het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen, conform de wijzigingen in hoofdstuk 3 van de Nota van Zienswijzen. In dit hoofdstuk staat dat naar aanleiding van de ingediende zienswijzen het plan op een aantal onderdelen wordt aangepast, waaronder een aanpassing van de verbeelding. Die aanpassing behelst, voor zover relevant, de verkleining van het bouwvlak ten behoeve van nieuwbouw ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan en de verkleining van de bestemming "Maatschappelijk" aan de zijde van de Hoge Dijk.

Met voormelde wijzigingen is, zoals door de raad ter zitting is toegelicht, het plangebied aan de zuidoostzijde grenzend aan de Hoge Dijk verkleind, nu de plangrens is opgeschoven in westelijke richting. Mitsdien bestaat geen grond voor het oordeel dat de verkleining van het plangebied niet steunt op een raadsbesluit. Gezien de aard en omvang van de wijziging van het plangebied ten gevolge van het besluit van 2 juli 2015 gaat het niet om een wezenlijk ander plan, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de wettelijke procedure opnieuw had moeten worden doorlopen.

Voor zover [verzoeker] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat door de gewijzigde vaststelling onduidelijk is wat de bestemming is van de strook grond aan de zuidoostzijde van het plangebied, nu deze strook wel in het ontwerpbestemmingsplan, maar niet in het vastgestelde plan is opgenomen, overweegt de voorzieningenrechter dat in zoverre geen nieuw bestemmingsplan is vastgesteld zodat op deze strook nog steeds op grond van het bestemmingsplan "IJsselstein Zuidoost", vastgesteld door de raad op 2 juli 2009, de bestemming "Tuin" rust.

5. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de actuele regionale behoefte van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling niet is aangetoond. De behoefte om op de locatie uit te breiden is slechts gebaseerd op een geprognotiseerd aantal leerlingen en niet op een werkelijk aantal leerlingen binnen de regio, aldus [verzoeker] en anderen. De geprognotiseerde toename is volgens hen bovendien tijdelijk van aard wegens de dalende belangstelling voor het Anna van Rijn College, het vervallen van het VMBO onderwijs op dit college en het aanbieden van de tijdelijke Havo-top. Voorts voeren zij aan dat het plan zal leiden tot leegstand, nu als gevolg van de realisering van de voorziene ontwikkeling andere regionale locaties leeglopen, terwijl deze feitelijk beschikbaar zijn.

5.1. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

5.2. Daargelaten of artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro van toepassing is, heeft de raad zich onder verwijzing naar de planbeschrijving in hoofdstuk 3 van de plantoelichting gelezen in samenhang met bijlage 1, "Noodzaak en locatiekeuze uitbreiding Cals college", en bijlage 2, "Analyse extra scenario’s Cals college", van de plantoelichting, op het standpunt gesteld dat de in het plan voorziene uitbreiding in een actuele regionale behoefte voorziet. In het volgende zal worden beoordeeld of hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd op voorhand aanleiding geeft voor het oordeel dat de inhoud van de door de raad bij de voorbereiding van het plan betrokken stukken wat betreft de behoefte aan de uitbreiding waarin het plan voorziet zodanig afwijkt van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op deze stukken heeft mogen baseren.

5.3. Ten aanzien van de actuele regionale behoefte heeft de raad gesteld dat zich de afgelopen jaren een groei van het aantal leerlingen heeft gemanifesteerd. De raad wijst erop dat blijkens bijlage 1 bij de plantoelichting voor de noodzaak van de uitbreiding van het Cals College IJsselstein is uitgegaan van een gereguleerde instroom per jaar. De werkelijke behoefte is groter, aldus de raad. Uit de doorberekening van de huidige situatie die in bijlage 1 bij de plantoelichting is opgenomen blijkt dat wanneer het aantal leerlingen niet wordt gereguleerd, dit in ieder geval over de gehele berekende periode tot 2033 resulteert in een nog groter leerlingenaantal en grotere instroom. Hierbij is de krimp van de basisgeneratie van het totaal aantal jongeren dat naar het voortgezet onderwijs gaat betrokken. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de prognoses die in bijlage 1 bij de plantoelichting zijn opgenomen, de resultaten zijn van een onderzoek van Pronexus. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Leerlingenprognose en ruimtebehoefte voortgezet onderwijs 2013, Cals College, IJsselstein" van maart 2013. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat Pronexus het onderzoek heeft verricht met behulp van een softwarepakket dat voldoet aan het "Programma voor het opstellen van leerlingenprognoses" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en dat naast de lokale situatie ook de Primos bevolkingsprognoses van de regio zijn gebruikt om de belangstellingspercentages te berekenen. De raad heeft benadrukt dat de gehanteerde prognosemethodiek in lijn is met het Handboek Onderwijshuisvesting. Voorts is in bijlage 1 bij de plantoelichting berekend dat bij een gereguleerde instroom met Havo-top een uitbreiding van onderwijsruimte van 3.500 m2 brutovloeroppervlak nodig is ten opzichte van de huidige situatie. Omdat over de permanente Havo-top geen duidelijkheid heerst, heeft de raad besloten de uitbreiding te faseren en in het plan te voorzien in een bebouwingsuitbreiding van 2.400 m2. Daarbij heeft de raad betrokken dat de huidige bebouwing van de middelbare school aan de Hoge Dijk 1 te klein is om de behoefte op te vangen, dat thans op deze locatie acht noodlokalen aanwezig zijn en dat de tijdelijke nevenvestiging aan de Abbink Spainklaan - waar elf lokalen aanwezig zijn - tot uiterlijk de zomer van 2018 kan worden gebruikt voor het Cals College IJsselstein, nu daar woningbouw is voorzien.

In hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voorshands geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de gemaakte berekeningen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter op voorhand evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het plan zal worden voorzien in een actuele regionale behoefte.

5.4. Wat betreft het betoog van [verzoeker] en anderen dat niet is voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro overweegt de voorzieningenrechter dat uit paragraaf 3.2 tot en met 3.4 van de plantoelichting, gelezen in samenhang met bijlage 1 en 2 van de plantoelichting, blijkt dat de raad op grond van een locatie- en alternatievenafweging van mening is dat de geprognotiseerde leerlingenbehoefte waarop het plan is gebaseerd, niet kan worden opgevangen in bestaand stedelijk gebied door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, zo daarvan niet reeds op de beoogde locatie sprake is. Het door [verzoeker] en anderen genoemde alternatief is daarbij betrokken. Realisering van de uitbreiding van het Cals College IJsselstein binnen het bestemmingsplan "IJsselstein Zuidoost" acht de raad niet mogelijk, onder meer nu het volledig bebouwen van het bouwvlak in strijd is met de bouwregelgeving inzake de minimaal vereiste daglichtintreding. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat geen aanleiding de raad hierin niet te volgen. Evenmin geeft hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd op voorhand aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de locatie waar de middelbare school thans is gevestigd heeft kunnen kiezen, gelet op de wens van de stichting om alle lokalen op één plek te concentreren en de daarvoor benodigde oppervlakte.

5.5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en dat het besluit tot vaststelling van het plan in zoverre niet in stand zal blijven.

6. [verzoeker] en anderen betogen dat verwezenlijking van de voorziene uitbreiding van het Cals College IJsselstein een onaanvaardbare inbreuk op hun woon- en leefklimaat met zich brengt. Daartoe betogen zij dat het plan het toestaat om op korte afstand van hun woningen aan de Hoge Dijk bebouwing op te richten en activiteiten die samenhangen met de school plaats te laten vinden. Volgens [verzoeker] en anderen gaat de raad er ten onrechte vanuit dat het gebied kan worden gekarakteriseerd als gemengd gebied zoals bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG van 2009 (hierna: de VNG-brochure). Uitgaande van een omgevingstype "rustige woonwijk" dient de afstand tussen de bestemming "Maatschappelijk", waarbinnen de uitbreiding van de school is voorzien, en de gevels van de woningen aan de Hoge Dijk ten minste ongeveer 30 meter te zijn. Daartoe voorzag het vorige bestemmingsplan in een zone van ongeveer 30 meter met de bestemming "Tuin", aldus [verzoeker] en anderen.

6.1. De raad heeft voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat van [verzoeker] en anderen aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. In de VNG-brochure wordt voor geluidhinder wegens scholen een afstand tot milieugevoelige functies aanbevolen van 30 meter. In geval van het omgevingstype gemengd gebied mag deze afstand volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden teruggebracht tot 10 meter.

De raad is er in dit geval vanuit gegaan dat de omgeving van de middelbare school is aan te merken als gemengd gebied zoals bedoeld in de VNG-brochure. Daartoe heeft de raad in aanmerking genomen dat aan de zuidzijde van het plangebied sprake is van een variatie aan bedrijvigheid en (bedrijfs)woningen. Daarnaast zijn op circa 200 meter afstand van de noord- en zuidzijde van het plangebied belangrijke verbindingswegen gelegen. Op circa 580 meter van het perceel Hoge Dijk 1 is de A2 gelegen. Voorts draagt het bestaande Cals College IJsselstein bij aan het gemengde karakter van het gebied, aldus de raad. Gelet op de ligging en het karakter van het gebied, bestaat er op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de omgeving van de school ten onrechte heeft aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure.

6.2. De afstand van het bestemmingsvlak en de woningen aan de [locatie 2, 3, 4, 5, 6 en 7] is minstens ongeveer 18 meter, zodat in zoverre wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand van 10 meter. De afstand van het bestemmingsvlak en de woning aan de [locatie 1] bedraagt ongeveer 6 meter, zodat in zoverre die aanbevolen richtafstand niet wordt gehaald. De raad heeft ter zitting nader toegelicht dat ter plaatse van deze woning ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarbij heeft de raad gewezen op een ten behoeve van het plan uitgevoerd akoestisch onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan IJsselstein Zuidoost, Cals college - Geluid ten gevolge van uitbreiding" van april 2015 (hierna: het rapport). Hieruit volgt volgens de raad dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning [locatie 1] na verwezenlijking van het plan afneemt onder meer wegens verplaatsing van parkeer- en verkeersbewegingen naar het noorden van het plangebied en dat de voorkeurswaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en 70 dB(A) voor het maximale geluidsniveau uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van oktober 1998 niet wordt overschreden. Hetzelfde geldt volgens de raad overigens voor de andere voormelde woningen aan de Hoge Dijk. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben [verzoeker] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het rapport zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad daarop in redelijkheid niet af heeft kunnen gaan.

6.3. Ten aanzien van de gevolgen die [verzoeker] en anderen kunnen ondervinden van de verwezenlijking van de in het plan voorziene extra bebouwing op korte afstand van hun woningen aan de Hoge Dijk, heeft de raad ter zitting toegelicht dat de maximale toegestane bouwhoogte van de uitbreiding 9 meter is en binnen die bouwhoogte twee bouwlagen mogelijk zijn. Weliswaar zal de voorziene bebouwing dichterbij de woningen van [verzoeker] en anderen komen te staan zodat niet uitgesloten is dat in zoverre hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast, maar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan deze omstandigheid geen doorslaggevend gewicht behoeft te worden toegekend. Daarbij heeft de raad van belang mogen achten dat de afstand van de woningen van [verzoeker] en anderen en het dichtstbijzijnde bouwvlak ongeveer minstens 15 meter bedraagt en dat deze afstand en de toegestane bouwhoogte niet ongebruikelijk zijn in een stedelijke omgeving zoals hier aan de orde.

6.4. Hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd biedt op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid aan het belang van verwezenlijking van de uitbreiding van het Cals College IJsselstein, geen groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het door [verzoeker] en anderen gestelde belang bij het voorkomen van een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

7. [verzoeker] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in mogelijkheden om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Daartoe wijzen zij op de in het plan opgenomen maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden, waar de parkeervoorzieningen op dienen te zijn afgestemd.

7.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels dient per lokaal 1 parkeerplaats te worden gerealiseerd.

7.2. De raad heeft toegelicht dat in het gemeentelijke parkeerbeleid, neergelegd in het "Parkeerbeleidsplan 2007", voor middelbaar onderwijs een parkeernorm van 0,5 tot 1 parkeerplaats per lokaal is opgenomen. De raad heeft erop gewezen dat deze norm is afgeleid van de normen van het CROW. De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij voormelde parkeernorm. Vast staat dat de raad met artikel 3, lid 3.3.1, van de planregels de bovengrens van deze parkeernorm in het plan heeft gehanteerd. Blijkens bijlage II bij de Nota van zienswijzen, "Verkeer en parkeren", is het de bedoeling dat er 77 lokalen op het perceel Hoge Dijk 1 worden gerealiseerd. Daarin staat voorts dat er na verwezenlijking van het plan - net als in de huidige situatie - 83 parkeerplaatsen worden aangelegd door de stichting. Hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geeft op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat deze parkeerplekken niet binnen de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" kunnen worden verwezenlijkt. Evenmin hebben zij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er thans sprake is van een onaanvaardbare parkeerdruk op het terrein van de middelbare school of in de omgeving en dat na realisering van het plan de parkeersituatie dusdanig zal verslechteren dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

8. Voor zover [verzoeker] en anderen beogen te betogen dat het plan niet uitvoerbaar is, nu de te treffen verkeersmaatregelen ten onrechte geen juridische zekerheid bieden omtrent de haalbaarheid en de feitelijke uitvoering, wordt overwogen dat de wegen waarop de in paragraaf 2.2.2 van de Nota van zienswijzen genoemde verkeersmaatregelen betrekking hebben, buiten het plangebied liggen. [verzoeker] en anderen hebben naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat zonder de genoemde verkeersmaatregelen het plan niet uitvoerbaar is en op de wegen rond het plangebied geen inrichting mogelijk is die acceptabel is uit oogpunt van verkeersveiligheid. Overigens heeft de raad ter zitting nader toegelicht dat inmiddels een concept-verkeersbesluit inzake de voorgenoemde verkeersmaatregelen is gepubliceerd.

9. [verzoeker] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte diverse begripsbepalingen ontbreken. In dit verband wordt gewezen op "overige aan de schoolfunctie gerelateerde voorzieningen", "lokaal" en "school voor voorgezet onderwijs".

9.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels voorziet in een school met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven en een voetbalkooi. Uit de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf voldoende duidelijk welk gebruik in welke omvang op de gronden aan de Hoge Dijk 1 is toegestaan. De omstandigheid dat de woorden "overige aan de schoolfunctie gerelateerde voorzieningen" niet voorkomen in de begrippenlijst, maakt niet dat onzeker is welk gebruik ter plaatse van de Hoge Dijk 1 is toegestaan. Daarvoor is immers bepalend wat in de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Maatschappelijk", in artikel 3, lid 3.1, van de planregels is opgenomen. Daarin is niet voorzien in "overige aan de schoolfunctie gerelateerde voorzieningen".

9.2. Ten aanzien van het begrip "lokaal" mag in het licht van het toegestane gebruik van de gronden als school op basis van het algemeen spraakgebruik voldoende bekend worden verondersteld wat hieronder wordt verstaan. Dat het begrip "lokaal" niet nader is omschreven in de begripsbepalingen, maakt het plan naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve niet rechtsonzeker.

9.3. Met betrekking tot het begrip "school voor voortgezet onderwijs" staat in de Nota van zienswijzen in hoofdstuk 3, onder d, dat de planregels worden aangepast door in artikel 1 van de planregels een omschrijving op te nemen. De raad heeft in dit verband in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat was beoogd om in artikel 1 op te nemen dat onder school dient te worden verstaan: een inrichting waar voortgezet onderwijs wordt gegeven. Het woord "voortgezet" is abusievelijk niet opgenomen bij de vaststelling van het plan, aldus de raad.

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De voorzieningenrechter ziet hierin in deze procedure, de betrokken belangen afwegend, echter geen aanleiding om het plan te schorsen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter de aard en omvang van het gebrek in het bestreden besluit en de omstandigheid dat niet is te verwachten dat binnen afzienbare tijd op het perceel Hoge Dijk 1 zich een andere school dan het Cals College IJsselstein zal gaan vestigen.

10. [verzoeker] en anderen hebben zich voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [verzoeker] en anderen hebben noch in het verzoekschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

11. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Soest-Ahlers

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2015

343-823.