Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3565

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201506875/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Brugdam 17" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201506875/2/R3.

Datum uitspraak: 9 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Drimmelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Brugdam 17" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 oktober 2015, waar [verzoeker A], bijgestaan door mr. C.C.F. Mureau, en de raad, vertegenwoordigd door C.P.A. Segeren en J.A.J. Vermeeren, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [twee gemachtigden], bijgestaan door mr. W. Krijger, als belanghebbende gehoord.

Buiten bezwaar van partijen zijn door [verzoeker] en anderen ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Ontvankelijkheid

2. In het beroepschrift staat dat het beroep mede wordt ingediend door de bewoners van de Brugdam, de Dorpsstraat en de Kerkstraat te Lage Zwaluwe. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb dient het beroepschrift ten minste de naam en het adres van de indiener te bevatten. Een lijst met namen van voormelde bewoners is pas na de beroepstermijn overgelegd. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat het beroep, voor zover dat is ingesteld door de bewoners van de Brugdam, de Dorpsstraat en de Kerkstraat, in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het beroep, voor zover dat is ingesteld door [verzoeker] en anderen wel ontvankelijk, zodat aanleiding bestaat inhoudelijk op het verzoek in te gaan.

Het plan

3. Het plan maakt de aanleg van een natuurspeeltuin mogelijk op het perceel Brugdam 17 te Drimmelen. Op dit perceel is reeds een binnenspeeltuin met een survivalhal en bowlingbanen gevestigd.

In artikel 1.20 van de planregels is een natuurspeeltuin gedefinieerd als een landschappelijke ingerichte speelgelegenheid met een extensief ruimtegebruik en speelvoorzieningen in overwegend natuurlijke materialen waarbij natuurbeleving en educatie centraal staan.

Spoedeisend belang

4. Gelet op de omstandigheid dat [belanghebbende] reeds is gestart met het uitvoeren van de werkzaamheden voor de aanleg van de natuurspeeltuin acht de voorzieningenrechter, anders dan de raad, spoedeisend belang aanwezig.

Provinciaal beleid

5. Over het betoog van [verzoeker] en anderen dat het plan in strijd is met de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014), omdat de natuurspeeltuin onrealistisch groot wordt en er geen sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De raad heeft toegelicht dat het plangebied ligt in een gebied dat in de Verordening 2014 is aangeduid als "gemengd landelijk gebied". Uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie is hier ingevolge artikel 7.13, vierde lid, in samenhang gelezen met artikel 7.10, tweede lid, van de Verordening mogelijk, mits die uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers. De voorziene natuurspeeltuin, aansluitend aan een bestaand recreatief bedrijf in het buitengebied, past volgens de raad binnen de beleidsstrategie van het gemengd landelijk gebied, waarin multifunctioneel gebruik van de gronden, rekening houdend met de omgevingskwaliteiten, centraal staat. De nadruk bij de natuurspeeltuin ligt volgens de raad op landschapsbeleving en natuureducatie. Daarmee wordt niet alleen een bijdrage geleverd aan de recreatieve sector, maar ook aan waterhuishouding, ecologische en landschappelijke kwaliteiten. Hoewel de uitbreiding een aanzienlijke oppervlakte betreft, is de uitbreiding volgens de raad redelijk. Er bestaan op andere plekken in Nederland natuurspeeltuinen van een vergelijkbare omvang. De natuurspeeltuin heeft voorts een extensief karakter, hetgeen is vastgelegd in de planregels. De bebouwingsmogelijkheden zijn beperkt tot 5 gebouwen met een oppervlakte van 6 m2 per gebouw. Het recreatieparadijs zal op mooie zomerse dagen beperkt worden bezocht.

Gelet op bovenstaande motivering stelt de raad zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt dat de uitbreiding van [belanghebbende] met een natuurspeeltuin redelijk is en sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, zodat het plan niet in strijd is met artikel 7.13, vierde lid van de Verordening 2014.

6. Over het betoog van [verzoeker] en anderen dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant overweegt de voorzieningenrechter dat de raad niet gebonden is aan een provinciale structuurvisie. De raad heeft zich in de plantoelichting gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de voorziene natuurspeeltuin past binnen de visie voor recreatie en toerisme in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en binnen de uitgangspunten die zijn gesteld ten aanzien van de gemengde plattelandseconomie. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Er bestaat vooralsnog geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

Verkeer

7. Over het betoog van [verzoeker] en anderen dat de Brugdam te smal is om het extra verkeer als gevolg van het plan af te wikkelen en een nieuwe ontsluiting nodig is, overweegt de voorzieningenrechter dat de raad ter zitting heeft erkend dat de verkeerssituatie op de Brugdam niet optimaal is. De oorzaak hiervan ligt volgens de raad echter niet bij het verkeer van en naar [belanghebbende], maar bij de grote landbouwvoertuigen die gebruik maken van de Brugdam. Op dit moment zijn er volgens de raad op de Brugdam 200 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In het rapport "Verkeerseffecten natuurspeeltuin '[belanghebbende]'" van 17 december 2013 staat dat de totale verkeersgeneratie op de Brugdam na de aanleg van de natuurspeeltuin naar verwachting 391 motorvoertuigbewegingen per etmaal zal zijn. Dit is volgens het rapport een beduidend hoger aantal dan dat er uit de tellingen naar voren komt. Deze inschatting is volgens het rapport dan ook aan de veilige kant. Het plan leidt volgens de raad gelet op het verkeersonderzoek niet tot dusdanig extra verkeer dat om die reden geen medewerking kan worden verleend aan de aanleg van de natuurspeeltuin.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

Parkeren

8. Over het betoog van [verzoeker] en anderen dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen, overweegt de voorzieningenrechter dat in de plantoelichting staat de parkeerbehoefte voor de binnenspeeltuin op basis van de gemeentelijke parkeernormen is vastgesteld op 64 parkeerplaatsen. De natuurspeeltuin wordt gezien als een vervanging van de binnenspeeltuin op zomerse dagen. Niet uit te sluiten echter, zo staat in de toelichting, dat de binnenspeeltuin ook op zomerse dagen wordt gebruikt, zij het in mindere mate. Daarom zal de totale parkeervraag toenemen. De raad gaat ervan uit dat er 32 extra parkeerplaatsen nodig zijn. In het plan is opgenomen dat de parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Het plan staat hier niet aan in de weg.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat, nu de natuurspeeltuin als vervanging wordt gezien voor de binnenspeeltuin op zomerse dagen, 32 extra parkeerplaatsen nodig zijn. [verzoeker] en anderen hebben geen deskundigenonderzoek overgelegd waaruit blijkt dat dit geen realistische verwachting is. Er bestaat vooralsnog geen grond voor het oordeel dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen.

VNG-brochure

9. [verzoeker] en anderen betogen dat [belanghebbende] vergelijkbaar is met een recreatiecentrum, waarvoor in de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) een richtafstand van 300 m wordt aangehouden. De raad heeft volgens hem ten onrechte slechts een afstand van 30 m aangehouden.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij een recreatiecentrum als bedoeld in de VNG-brochure moet worden gedacht aan attractieparken, vaste kermissen en soortgelijke grootschalige recreatieve functies. Een natuurspeeltuin is hiermee niet te vergelijken. Het gebruik van een natuurspeeltuin kan volgens de raad gelijk worden gesteld aan een kinderboerderij of een bassischool, waarvoor in de VNG-brochure een richtafstand van 30 m is opgenomen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en de definitie daarvan in de planregels, kunnen aansluiten bij de richtafstand in de VNG-brochure voor een kinderboerderij of een basisschool. Er bestaat vooralsnog geen grond voor het oordeel dat de raad had moeten aansluiten bij de richtafstand in de VNG-brochure voor een recreatiecentrum.

Overige gronden

10. In hetgeen [verzoeker] en anderen overigens hebben aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal kunnen houden.

Conclusie

11. Het verzoek dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Koeman w.g. Brock

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2015

603.