Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3564

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201504599/1/R6 en 201504599/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Enschot 2008, 5e herziening (Bosscheweg 57)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/1115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201504599/1/R6 en 201504599/2/R6.

Datum uitspraak: 11 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

en

de raad van de gemeente Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Enschot 2008, 5e herziening (Bosscheweg 57)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 september 2015, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door R.C.A.M. van Groenendaal, zijn verschenen.

Tevens is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], ter zitting als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De voorzieningenrechter toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de voorzieningenrechter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het plan voorziet in de realisatie van 57 appartementen aan de Bosscheweg 57 te Berkel-Enschot. Daarvoor zullen de huidige kantoorvleugels die in verbinding staan met het rijksmonument villa De Lange Akker worden gesloopt en worden vervangen door twee nieuwe woonvleugels.

[appellant] woont op het perceel dat aan de westzijde grenst aan het plangebied.

Ontvankelijkheid

4. Voor zover de raad zich ten aanzien van een of meer beroepsgronden op het standpunt stelt dat [appellant] deze in de zienswijze niet heeft aangevoerd en het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel er evenwel aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. In dit geval hebben de beroepsgronden waar de raad op doelt alle betrekking op een reeds in de zienswijze bestreden besluitonderdeel. Het standpunt van de raad kan derhalve niet worden gevolgd.

Inhoudelijke beoordeling

5. Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat het ingestelde beroep beperkt is tot de in het bestemmingsplan toegekende bestemming "Wonen - Gestapeld".

6. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht de actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening niet te bestrijden.

7. [appellant] bestrijdt de stedenbouwkundige verantwoording van het plan. Daartoe voert hij aan dat de keuze voor de bouw van appartementen op deze locatie niet is onderbouwd. Voorts stelt hij dat deze bouw moet worden beperkt tot een of twee woonlagen. De bouw van drie of meer woonlagen waarin het bestemmingsplan voorziet past volgens hem niet in de omgeving. In de naaste omgeving van het plangebied bevindt zich geen andere hoogbouw en de maximale bouwhoogte van 16 m die aan een deel van de oostvleugel van het bouwvlak is toegekend overstijgt zelfs de hoogte van de binnen het plangebied aanwezige begroeiing. Tot slot kan [appellant] zich niet verenigen met de in de artikelen 5.4 en 5.6 van de planregels opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, op grond waarvan, naar hij stelt, in de toekomst nog meer activiteiten kunnen worden ontplooid die niet in de omgeving passen.

7.1. De raad stelt dat om het rijksmonument en het groene open karakter van de tuin te behouden herontwikkeling op deze locatie kansen biedt. Nu behoefte bestaat aan levensloopbestendige appartementen aan de rand van het dorp Berkel-Enschot en het plan de herontwikkeling van een leegstaande kantoorlocatie betreft, terwijl aan kantoren zowel landelijk als lokaal gezien een overschot bestaat, acht de raad de in het plan voorziene bouw van appartementen een geschikte invulling van het gebied, waarbij sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

Voorts stelt de raad dat het project past in de omgeving. Daartoe voert hij aan dat de Bosscheweg een van de toegangswegen van Tilburg is en dat het uit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk is daar hogere bebouwing toe te staan. Daarnaast is de getrapte bouwhoogte van het project in overleg met de omgevingscommissie van de gemeente Tilburg vastgesteld en wordt op deze manier gezorgd voor een juiste balans tussen een aansluiting op en voldoende contrast met het rijksmonument. Ook gelet op het totale oppervlak van het perceel van 2,5 ha, de afstand tussen de voorziene woningbouw en de perceelsgrenzen en de maat en schaal van de binnen het plangebied aanwezige begroeiing vormt de voorziene woningbouw volgens de raad uit stedenbouwkundig oogpunt een acceptabele invulling van het perceel.

7.2. Met de door de raad gegeven nadere toelichting acht de voorzieningenrechter de keuze voor de bouw van appartementen op deze locatie voldoende onderbouwd.

Hoewel [appellant] terecht stelt dat het merendeel van de omliggende bebouwing minder hoog is dan de in het plan voorziene appartementengebouwen, maakt dat op zichzelf niet dat de raad niet voor de bestreden bouwhoogte heeft kunnen kiezen. De raad heeft gemotiveerd dat en waarom de in het plan voorziene appartementengebouwen uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar zijn. In dit kader heeft de raad onder meer van belang kunnen achten dat de afstand tussen de voorziene bebouwing en de weg ruim 50 m bedraagt, dat gekozen is voor een getrapte bouwhoogte die naar achter toe oploopt en dat met de voorziene bebouwing het bestaande rijksmonument wordt omlijst en geaccentueerd. Voorts is in beroep niet bestreden dat de bestaande inrichting van het plangebied, met leegstaande kantoorgebouwen, onwenselijk is en dat om tot een haalbaar en toekomstbestendig plan te komen veelvuldig overleg met de omgevingscommissie van de gemeente Tilburg en externe deskundigen heeft plaatsgevonden, wat uiteindelijk heeft geleid tot vaststelling van het plan zoals dat thans aan de voorzieningenrechter is voorgelegd. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project past in de omgeving.

7.3. Ten aanzien van de in de artikelen 5.4 en 5.6 van de planregels opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheden ziet de voorzieningenrechter in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd op voorhand geen grond voor het oordeel dat gebruikmaking van deze bepalingen zal leiden tot afwijkende en niet in de omgeving passende bouwwerken of activiteiten. Voorts zijn bedoelde afwijkingen slechts bij omgevingsvergunning toegestaan en staan in artikel 5, lid 5.4.3 en 5.6.3, van de planregels voorwaarden geformuleerd - die mede zien op de inpasbaarheid in de omgeving - waaraan moet zijn voldaan om voor die omgevingsvergunning in aanmerking te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad er derhalve in redelijkheid voor kunnen kiezen deze afwijkingsbevoegdheden in de planregels op te nemen.

Het betoog faalt.

8. [appellant] stelt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de verkeersgevolgen van het plan op met name de ventweg van de Bosscheweg. Hij voert aan dat op deze weg hard wordt gereden en dat als gevolg van het plan het aantal verkeersbewegingen zal toenemen, wat leidt tot een gevaarlijke verkeerssituatie ter plaatse. Daarnaast vreest [appellant] parkeeroverlast, omdat in het plan naar zijn mening in onvoldoende parkeerplaatsen is voorzien.

8.1. In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de raad het stuk "Nader onderzoek/berekening verkeersdruk" (hierna: het nader onderzoek) laten opstellen. In dit nader onderzoek wordt geconcludeerd dat, op basis van de theoretische huidige verkeersgeneratie, als gevolg van de nieuwe bestemming een toename van 363 à 405 motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal valt te verwachten. Dit is een toename van 3%. Met een capaciteit van 3000 mvt per rijrichting per uur is de capaciteit van de Bosscheweg ruim voldoende om deze toename te kunnen verwerken. De toename van verkeer in verband met de nieuwe ontwikkeling verspreidt zich voorts over de dag. De huidige functie als kantoor genereert maximaal circa 40% van de mvt in de spitsperiode, terwijl de nieuwe functie(s) maximaal circa 8% van de mvt in de spitsperiode genereert. Per saldo neemt het aantal mvt in de spitsperiode derhalve af, wat kan oplopen tot een theoretische afname van 94 mvt per spitsperiode. Derhalve levert de toename van verkeer ten gevolge van de nieuwe functie(s) geen problemen op voor de bestaande infrastructuur.

Met betrekking tot de ontsluiting is in het nader onderzoek vermeld dat de situering van de bestaande hoofdentree niet ideaal is in verband met de beperkte ruimte tussen het perceel en de hoofdrijbaan van de Bosscheweg. Ook ligt ter plaatse een haltehaven voor de bus. Om de situatie ter plaatse te verbeteren wordt aanbevolen het aanwezige hoge struikgewas en de bebording van de kantoorlocatie te verwijderen. Hierdoor zal het zicht op de Bosscheweg en de ventweg verbeteren. Voorts kent het plangebied een tweede ontsluiting aan de westzijde van het perceel. Bij gebruik van deze ontsluiting heeft het verkeer niet de mogelijkheid om rechtdoor de hoofdrijbaan op te rijden maar kan het kiezen om via de ventweg linksaf richting Tilburg te rijden en bij de eerstvolgende doorsteek, ter hoogte van huisnummer 79, de hoofdrijbaan op te rijden, of om via de ventweg rechtsaf te rijden en bij de hoofdentree van het perceel de hoofdrijbaan op te rijden. Hierdoor zal een spreiding van het verkeer ontstaan. Aanbevolen wordt om beide ontsluitingen te benutten. Het plan voorziet hierin, door de huidige hoofdentree te voorzien van een selectieve toegang die circa 62 parkeerplaatsen ontsluit. De westelijke ontsluiting wordt vrij toegankelijk en ontsluit circa 56 parkeerplaatsen.

8.2. In hetgeen [appellant] zonder nadere onderbouwing heeft gesteld over de verkeerssituatie ter plaatse ziet de voorzieningenrechter geen grond voor twijfel aan de juistheid van het nader onderzoek. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen geen onaanvaardbare afname van de verkeersveiligheid op de Bosscheweg en de ventweg zal voordoen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede in ogenschouw genomen dat de voornaamste punten die [appellant] in dit kader heeft aangevoerd, zijnde de toename van het aantal mvt en de aanwezigheid van een haltehaven voor de bus, in het nader onderzoek expliciet onder ogen zijn gezien.

8.3. Over de gestelde parkeerproblematiek overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens de plantoelichting worden bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012. Het hanteren van deze parkeernormen is door [appellant] niet betwist. Op grond van deze notitie heeft de raad berekend dat voor het plangebied, waaronder wordt verstaan het kantoor aan de achterzijde van het perceel, de 57 te bouwen appartementen en het rijksmonument, waaraan de bestemming "Gemengd" is toegekend, een maximale parkeernormering geldt van 111 parkeerplaatsen. Nu binnen het plangebied is voorzien in de aanleg van 124 parkeerplaatsen bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter nog op de ter zitting door [belanghebbende] gedane toezegging dat mocht het aantal parkeerplaatsen in de praktijk toch onvoldoende blijken, dit probleem op eigen terrein zal worden opgelost door de aanleg van extra parkeerplaatsen.

Het betoog faalt.

9. [appellant] vreest als gevolg van het bestemmingsplan een verslechtering in zijn woon- en leefklimaat en in het bijzonder een aantasting van zijn privacy. Daartoe voert hij aan dat het plan aan de westzijde van het bouwvlak voorziet in woningbouw in drie onderscheidenlijk vier woonlagen en dat de loofbomen tussen zijn perceel en de nieuwe woningbouw aan de onderzijde weinig takken hebben en bovendien in de winter hun blad verliezen. Vanuit de te realiseren nieuwbouw bestaat volgens [appellant] derhalve vrij zicht op zijn perceel alsmede in zijn huis. Daar komt bij dat, anders dan bij de kantoorfunctie die het plangebied onder het vorige plan had, het gebruik van het plangebied niet beperkt blijft tot de kantooruren maar ook ’s avonds en in het weekend doorgaat.

9.1. De raad stelt dat het zicht vanuit het plangebied en de daarbinnen te realiseren appartementen op het perceel van [appellant] aanvaardbaar moet worden geacht. Daartoe voert hij aan dat het plangebied van het perceel van [appellant] wordt gescheiden door twee rijen met forse bomen aan weerszijden van de plangrens. De binnen het plangebied gelegen bomenrij is ook als zodanig bestemd en zal dus worden gehandhaafd. Bovendien ontstaat volgens de raad, gelet op de afschuiningshoek waaronder de nieuwe appartementen ten opzichte van de woning van [appellant] worden gebouwd en de indeling van die appartementen waarbij aan de zijde van het perceel van [appellant] een galerij is gelegen, geen of nauwelijks zicht vanuit de appartementen in de woning van [appellant]. Gelet op de ligging binnen stedelijk gebied moet deze situatie aanvaardbaar worden geacht, aldus de raad.

9.2. Ter zitting is komen vast te staan dat het plangebied en het perceel van [appellant] zijn gelegen in stedelijk gebied. De afstand tussen het in het plangebied gelegen bouwvlak en het perceel van [appellant] bedraagt circa 25 m en de afstand tussen dat bouwvlak en de woning van [appellant] bedraagt circa 40 m. Voorts beperkt de aanwezige begroeiing het zicht vanuit de appartementen op het perceel van [appellant] en zal ook het zicht vanuit de appartementen in de woning van [appellant], zo het er al is, beperkt zijn. Hoewel niet onaannemelijk is dat de privacy van [appellant] door de bouw van de appartementen in enige mate zal worden aangetast, bestaat, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de raad daaraan in de belangenafweging een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen en niet in redelijkheid het bestemmingsplan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

Conclusie

10. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

11. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Wijker-Dekker

voorzieningenrechter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015

562.