Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201501722/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:208, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7452 met annotatie van M.G.O. de Lange
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201501722/1/A2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Doetinchem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 januari 2015 in zaak nr. 14/3639 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 januari 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 april 2014 vernietigd voor zover het college heeft nagelaten de verschuldigde dwangsom vast te stellen, en bepaald dat het college als gevolg van het niet tijdig beslissen op bezwaar een dwangsom van € 820,00 aan [appellant] heeft verbeurd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 2 oktober 2015 ter zitting gevoegd behandeld met de zaken nrs. 201501713/1/A2 en 201501725/1/A2, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.H.M. Kemperman, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Kemperman, en het college, vertegenwoordigd door F.M. Wiedenhoff en dr. mr. N.C. Faber LLM, beiden werkzaam bij de gemeente Doetinchem, zijn verschenen. Tevens is als derde-belanghebbende verschenen [belanghebbende], vertegenwoordigd door Ir. W.G.C. van Drie.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, is een planuitwerking een oorzaak als bedoeld in het eerste lid.

2. [appellant] is eigenaar van het perceel met woning aan de [locatie] te Doetinchem (hierna: het perceel). Op 10 februari 2012 heeft hij de aanvraag om de tegemoetkoming bij het college ingediend. In de aanvraag stelt [appellant] schade te lijden in de vorm van waardevermindering van zijn woning door inwerkingtreding van het "Tweede Uitwerkingsplan Wijnbergen - het Midden en Het Westen" (hierna: het uitwerkingsplan), dat in werking is getreden op 29 september 2011.

[belanghebbende] heeft met de gemeente Doetinchem een overeenkomst gesloten over de tegemoetkomingen in planschade.

3. Het college heeft advies gevraagd aan de Planschadecommissie Doetinchem. Op basis van een vergelijking tussen het planologische regime van het "Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Bergh (hierna: het oude bestemmingsplan) en het uitwerkingsplan, heeft de Planschadecommissie geconcludeerd dat [appellant] geen recht heeft op een tegemoetkoming. De voordelen van de toekenning in het uitwerkingsplan van de bestemming "wonen bestaand" aan het perceel, waardoor dit positief wordt bestemd en het gebruik ervan niet langer onder het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan valt, en de voordelen van het wegvallen van de bovengrondse hoogspanningsleiding in het uitwerkingsplan, wegen volgens de Planschadecommissie op tegen de nadelen voor [appellant] van dit plan, dat woningbouw aan de zuid-, oost- en westzijde van het perceel mogelijk maakt. Het college heeft dit advies aan het, in bezwaar gehandhaafde, besluit van 5 maart 2013 ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft het standpunt van het college bevestigd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte planologische voordelen heeft toegerekend aan het uitwerkingsplan. Volgens [appellant] werd zijn woning reeds voor de inwerkingtreding van dit plan als een burgerwoning beschouwd, aangezien het bestendige bestuurspraktijk was om bouwvergunningen te verlenen voor veranderingen aan woningen die onder het overgangsrecht vielen, zoals zijn woning, alsof hierop een woonbestemming rustte. [appellant] verwijst hiertoe naar de, in beroep overgelegde, bouwvergunning van 25 maart 1986, die het college voor zijn woning heeft verleend. Verder verwijst hij naar de door hem, als nader stuk, in hoger beroep overgelegde bouwvergunningen, die door het college van de voormalige gemeente Bergh zijn verleend op 29 juli 1983 voor de woning op het adres Kruisallee 1 te Wijnbergen en op 8 mei 1974 en 27 januari 1981 voor de woningen op de, thans niet meer bestaande, adressen Winborch 3 en 11 te Wijnbergen.

4.1. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

4.2. Voorop staat dat met het overgangsrecht wordt beoogd om aan de bestaande situatie een einde te maken binnen de planperiode. Nu het perceel in het oude bestemmingsplan de bestemming "agrarisch productiegebied van landschappelijke waarde" had, en het bestaande woongebruik onder het overgangsrecht was gebracht, werd beëindiging van de woonsituatie beoogd.

4.3. In de door [appellant] overgelegde bouwvergunning van zijn woning is vermeld dat het college vergunning heeft verleend voor het verbouwen van de woning. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daaruit niet kan worden afgeleid dat het college ruimere bouwmogelijkheden heeft toegestaan dan de overgangsbepalingen van het oude bestemmingsplan toelieten. Dit kan evenmin uit de door [appellant] bij nader stuk overgelegde bouwvergunningen worden afgeleid. De bouwvergunning voor de woning aan de Kruisallee 1 te Wijnbergen, gemeente Bergh (thans: gemeente Montferland), kan niet aan het college van Doetinchem worden toegerekend, nu deze is verleend door het college van de voormalige gemeente Bergh. De bouwvergunning voor de woning aan de Winborch 11 is verleend op 8 mei 1974, voordat het oude bestemmingsplan, met de desbetreffende overgangsbepalingen, in werking was getreden, zodat hieraan evenmin het door [appellant] gewenste gewicht kan worden toegekend. Dit laatste geldt ook voor de bouwvergunning, verleend voor de woning aan de Winborch 3, nu uit die vergunning volgt dat het desbetreffende bouwplan niet in strijd was met het oude bestemmingsplan en de overgangsbepalingen hiervan. De door [appellant] gestelde bouwvergunningen voor de woningen aan de Vancouverstraat 24 en 26 te Doetinchem heeft hij niet overgelegd. De conclusie is derhalve dat [appellant] zijn betoog over de bestendige bestuurspraktijk van het college, zoals hij ook ter zitting heeft bevestigd, niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.4. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat onder het oude bestemmingsplan reeds een woonbestemming had moeten worden gevestigd op het perceel en zijn woning ten onrechte, voor de tweede keer, onder het overgangsrecht is gebracht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daartegen rechtsmiddelen openstonden ten tijde van het vaststellen van het oude bestemmingsplan.

4.5. De enkele verwijzing door [appellant] naar hetgeen hij onder 1 van het beroepschrift heeft aangevoerd, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De rechtbank is op de hierin vermelde gronden ingegaan. [appellant] heeft, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig is.

4.6. Het betoog biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college over de toerekening van de planologische voordelen aan het uitwerkingsplan heeft gevolgd.

Het betoog faalt.

5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd is uitgegaan van de wegingsfactor "zeer licht" (0,25) bij de vaststelling van de proceskostenveroordeling in beroep. Volgens [appellant] had de rechtbank daarbij de wegingsfactor 1 moeten hanteren, nu partijen van mening verschilden over de vraag of het college een dwangsom verschuldigd was, de beantwoording van die vraag geen eenvoudige juridische kwestie is, en het college op juridisch inhoudelijke gronden in zijn verweerschrift in beroep en ter zitting bij de rechtbank heeft verdedigd dat geen dwangsom was verbeurd.

5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, wordt het bedrag van de kosten, van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bij de uitspraak vastgesteld, overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

Ingevolge de wegingsfactoren van de bijlage wordt bij een zaak van zeer licht gewicht de wegingsfactor 0,25 toegepast, en bij een zaak van gemiddeld gewicht de wegingsfactor 1.

5.2. De rechtbank heeft op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb en de bijlage hiervan, de wegingsfactor ‘zeer licht’ toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenveroordeling in beroep. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 februari 2015 in zaak nr. 201407800/1/A3), behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Dit laatste is hier het geval. Het besluit van 22 april 2014 is slechts vernietigd voor zover het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar en heeft nagelaten de verschuldigde dwangsom vast te stellen. Anders dan [appellant] betoogt, is het geschil tussen partijen in zoverre eenvoudig van aard. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2013 in zaak nr. 201113344/1/A3) mag bij geschillen over het niet tijdig nemen van een besluit de wegingsfactor 0,25 worden gehanteerd. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt, ook niet door te verwijzen naar de juridisch inhoudelijke gronden van het college, dat de werkzaamheden van zijn gemachtigde op dit punt een hogere wegingsfactor rechtvaardigen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Michiels w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

615.