Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201503017/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 11 februari 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/1139
JOM 2015/1086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201503017/1/A4.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft het college zijn beslissing om op 11 februari 2015 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 12 maart 2015 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2015, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door A.A. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via de betreffende inzamelvoorziening.

2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 11 februari 2015 naast een afvalcontainer, op de 2e Schuytstraat ter hoogte van nummer 260 is aangetroffen. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op de doos een adreswikkel met de naam- en adresgegevens van [appellante] is aangetroffen, zodat de doos tot haar herleidbaar is en zij deze in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden. De kosten van de spoedeisende bestuursdwang kunnen gedeeltelijk op haar als overtreder worden verhaald, aldus het college.

3. [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Zij bestrijdt dat zij degene is geweest die de doos verkeerd ter inzameling heef aangeboden. In dat verband voert zij onder meer aan dat de foto's van 11 februari 2015, die in de gemeentelijke rapportage van 12 februari 2015 zijn opgenomen, onduidelijk zijn en niet kunnen dienen als bewijs.

3.1. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

3.2. In de Rapportage "Afval onjuist aangeboden huisvuil - niet heterdaad" van de Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag van 12 februari 2015, waarop het college zijn besluit heeft gebaseerd, zijn foto's opgenomen die, zo staat het in het rapport, dienen als bewijs. Op foto 1 (de bovenste foto) van pagina 2 van het rapport staan twee afvalcontainers en een kartonnen doos, die naast een van de containers is geplaatst. Foto 2 (de onderste foto) van pagina 2 verbeeldt een doos die half open is en waaruit papier en/of karton steekt. De dozen op de foto's verschillen van kleur en vorm; duidelijk is dat het niet dezelfde dozen zijn. Het college heeft ter zitting verklaard dat op foto 2 een doos staat die in de container is aangetroffen. Ter zitting kon het college niet duidelijk maken waarom deze foto als bewijs in het rapport is weergegeven. Het college vermoedt dat het een vergissing betreft. Op de foto's op pagina 3 van het rapport is alleen een adreswikkel te zien met de naam en adresgegevens van [appellante]. Op de foto's is het aangetroffen poststuk waarop de adreswikkel zou hebben gezeten niet zichtbaar. Ook anderszins wordt niet duidelijk waar de adreswikkel is aangetroffen. Volgens het bestreden besluit is de adreswikkel op de doos aangetroffen, volgens de verklaring van het college ter zitting in de doos.

In aanmerking genomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, aannemelijk moet maken dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden, is het van belang dat het college de betrokken persoon duidelijkheid verschaft over de aard van de aangetroffen stukken en het door het college tot het bewijs gebruikte fotomateriaal. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat die duidelijkheid niet is gegeven. Het bestreden besluit is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2015 in zaak nr. 201408589/1/A4, www.raadvanstate.nl).

Het betoog slaagt.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 12 maart 2015, kenmerk B.4.15.0564.001.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

190.