Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3545

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201502426/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, reparatieplan" (gewijzigd) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201502426/1/R2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Harskamp, gemeente Ede,

2. [appellant sub 2], wonend te Harskamp, gemeente Ede,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied, reparatieplan" (gewijzigd) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad van de gemeente Ede heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2015, waar [appellant sub 1], in persoon, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Doorakkers, zijn verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1.1. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 1]

niet-ontvankelijk is.

1.2. Ingevolge artikel 6:7, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, van de Awb vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

1.3. De terinzagelegging heeft plaatsgevonden op 4 december 2014. De beroepstermijn is derhalve aangevangen op 5 december 2014 en geëindigd op 15 januari 2015. [appellant sub 1] heeft het beroep niet binnen de termijn ingesteld.

1.4. In artikel 3.8, derde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is vermeld dat in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, onder b, de artikelen 3:43 en 3:44 van de Awb van toepassing zijn op het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan. Hieruit volgt dat de raad, nu [appellant sub 1] over het ontwerp zienswijzen naar voren heeft gebracht, mededeling had moeten doen van het besluit en een exemplaar van het vaststellingsbesluit aan [appellant sub 1] had moeten toezenden. Niet in geschil is dat de raad dit niet heeft gedaan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] beroep heeft ingesteld onverwijld nadat hij van het vaststellingsbesluit op de hoogte is geraakt, acht de Afdeling de termijnoverschrijding verschoonbaar en is het beroep van [appellant sub 1] ontvankelijk.

Het plan

2. Bij uitspraak van 17 juli 2013, no. 201109366/1/R2, heeft de Afdeling de beroepen van onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 2] die zijn ingesteld tegen het bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" en de daarop volgende integrale herziening "Agrarisch Buitengebied 2012" gegrond verklaard.

Ten aanzien van het perceel van [appellant sub 1] is overwogen dat de raad ter zitting heeft erkend dat de planregeling voor het betrokken perceel niet toereikend is, omdat in de vergunde stal permanent dieren mogen worden gehouden terwijl de definitiebepaling van het begrip hulpgebouw dit niet toestaat en de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan.

Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet kan worden gevolgd in de oplossing dat de in geding zijnde stal gelegaliseerd kan worden als hulpgebouw omdat in de stal permanent koeien worden gehouden, en de stal daarmee niet voldoet aan de definitiebepaling van hulpgebouw.

In het thans voorliggende plan is beoogd om gevolg te geven aan de uitspraak van de Afdeling door aan de in geding zijnde gronden waar de stallen zijn gesitueerd de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente stalling van vee" toe te kennen en in de definitiebepaling van hulpgebouwen in artikel 1 van de planregels een passage toe te voegen die permanente stalling van dieren ter plaatse van de betreffende aanduiding mogelijk maakt.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken op gronden met de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente stalling van vee" de volgende bepalingen:

a. bouwwerken mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:

(…)

3. bestaande hulpgebouwen en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak zijn toegestaan, inclusief noodzakelijke keerwanden met een maximum hoogte van 1 meter ten behoeve van kleinschalige aan het gebruik gerelateerde opslag.

Ingevolge artikel 1 wordt onder hulpgebouwen verstaan: Een gebouw, behorende bij een bedrijf, dat met het oog op een verantwoorde bedrijfsvoering niet binnen het bouwvlak gerealiseerd kan worden, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het (agrarisch) gebruik, en waarbij geen sprake is van permanente stalling van dieren, met uitzondering van de gebouwen met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente stalling van vee'.

Beroep [appellant sub 1]

5. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte geen agrarisch bouwvlak heeft toegekend ter plaatse van de stal op het perceel aan de [locatie 1] maar alleen het permanent stallen van dieren in de stal mogelijk maakt. Hij voert aan dat op het perceel een jongveestal aanwezig is waarvoor in 2003 een bouwvergunning is verleend. Daarnaast is voor de locatie een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend. Volgens hem is sprake van een zelfstandige inrichting en bieden de vergunningen voldoende grond om een agrarisch bouwvlak toe te kennen. [appellant sub 1] betoogt dat tijdens de zitting bij de Afdeling in de zaak no. 201109366/1/R2 door de raad is gesteld dat een zelfstandig agrarisch bouwvlak zou worden opgenomen en dat in overleg zou worden getreden met [appellant sub 1] waar niet aan tegemoet is gekomen.

6. De raad stelt zich op het standpunt dat door in het reparatieplan via de toegekende aanduiding het gebruik van het agrarische hulpgebouw voor permanente veestalling op de huidige locatie toe te staan recht wordt gedaan aan de bestaande en vergunde situatie. De schuur wordt gebruikt voor het stallen van jongvee en dat wordt mogelijk gemaakt met het plan. De raad heeft afgezien van overleg omdat de situatie voldoende duidelijk was.

7. De gronden ter plaatse van de stal zijn in het plan bestemd als "Agrarisch" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente stalling van vee".

7.1. Bij besluit van 7 februari 2003 is met vrijstelling bouwvergunning verleend voor het bouwen van een schuur (jongvee) op het perceel [locatie 1] te Harskamp

Bij besluit van 23 juli 2002 is aan [appellant sub 1] een vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een veehouderij met 20 stuks vrouwelijk jongvee op het perceel.

7.2. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Gelet op de aanvraag en de bij de bouwvergunning behorende tekening is de schuur aangevraagd voor het gebruik van huisvesting van jongvee. Het huidige plan maakt het bestaande en vergunde gebruik en de bebouwing mogelijk.

7.3. Ten aanzien van het betoog dat een zelfstandig agrarisch bouwvlak had moeten worden toegekend aan het perceel, overweegt de Afdeling dat de bouwvergunning en een vergunning op grond van de Wet milieubeheer niet nopen tot het toekennen van een zelfstandig agrarisch bouwvlak. De uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013 noopt daar ook niet toe. De raad wenst niet mee te werken aan een agrarisch bouwvlak omdat dat niet strookt met de uitgangspunten om uitsluitend bestaande rechten positief te bestemmen en dat nieuwvestiging van bedrijven niet wenselijk is onder meer omdat daarmee bebouwing mogelijk wordt gemaakt op de omliggende gronden die thans kunnen worden gebruikt voor agrarische doeleinden zonder bouwmogelijkheden. Tevens zijn in dat geval tal van onderzoeken noodzakelijk waar thans geen noodzaak voor bestaat. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt.

7.4. Voor zover [appellant sub 1] heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat door [appellant sub 1] niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een agrarisch bouwvlak zou voorzien. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

7.5. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Beroep [appellant sub 2]

8. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte geen agrarisch bouwvlak heeft toegekend ter plaatse van stal op het perceel aan de Harskamperengweg te Harskamp. Tevens betoogt [appellant sub 2] dat door middel van een koppelteken tussen het bedrijf aan de Kostverlorensteeg en het perceel aan de Harskamperengweg recht zou worden gedaan aan de bestaande situatie.

9. De raad stelt zich op het standpunt dat door in het reparatieplan voor de betreffende stal een specifieke regeling op te nemen die het permanent huisvesten van dieren in een hulpgebouw mogelijk maakt recht wordt gedaan aan de bestaande situatie.

10. De gronden ter plaatse van de stal zijn in het plan bestemd als "Agrarisch" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente stalling van vee".

10.1. [appellant sub 2] exploiteert een veehouderij aan de [locatie 2]. Aan de Harskamperengweg heeft hij sinds 1961 ongeveer 3,9 ha grond in eigendom. De destijds aanwezige schuilgelegenheid heeft [appellant sub 2] rond 1982 vervangen door een stal waar momenteel 26 melk- en zoogkoeien worden gehouden. Vergunningen voor deze stal zijn niet te achterhalen. In de voorgaande plannen was uitsluitend voor melkstallen en schuilgelegenheden een regeling opgenomen. Het huidige plan maakt het gebruik van de stal voor het permanent houden van 26 melk- en zoogkoeien mogelijk.

10.2. Ten aanzien van het betoog dat een zelfstandig agrarisch bouwvlak had moeten worden toegekend aan het perceel of koppelteken tussen het bedrijf aan de Kostverlorensteeg en het perceel aan de Harskamperengweg, overweegt de Afdeling dat de raad uitsluitend het bestaande gebruik heeft willen legaliseren en niet wenst mee te werken aan een agrarisch bouwvlak of koppelteken omdat daarmee bebouwing mogelijk wordt gemaakt op de omliggende gronden die thans kunnen worden gebruikt voor agrarische doeleinden zonder bouwmogelijkheden. Tevens zijn tal van onderzoeken noodzakelijk waar thans geen noodzaak voor bestaat.

10.3. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt.

10.4. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015