Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201502583/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1441, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2016/7451

Uitspraak

201502583/1/A2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna ook tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Winterswijk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2015 in zaak nr. 14/6800 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2014 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2015, waar [appellant A], bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y.F. Kramer en E. Hoopman, beiden werkzaam bij de gemeente, vergezeld van mr. J.H.J. van Erk, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), zijn verschenen. Voorts is ter zitting [directeur] van Recreatiepark Het Winkel, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. [appellant] is eigenaar van een vrijstaand landhuis, een paardenstal, een kapschuur met ondergrond, een erf, een tuin, een paddock en een weiland aan de [locatie] te Winterswijk (hierna: het perceel). Bij formulier van 12 maart 2013, ingediend bij brief van 13 maart 2013, heeft hij verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het op 26 juli 2012 (hierna: de peildatum) in werking getreden en op 30 januari 2013 onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Recreatiepark Het Winkel". Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een recreatieterrein op de voorheen agrarische gronden ten oosten van het perceel van [appellant] mogelijk. Verder zijn de gronden ten noordoosten van het perceel van [appellant] bij dit plan bestemd tot "Natuur", terwijl op deze gronden voordien de bestemming "Agrarisch" rustte. Volgens [appellant] brengen de planologische wijzigingen met zich dat het perceel in waarde is gedaald.

3. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade heeft het college een advies van de SAOZ van februari 2014 ten grondslag gelegd. Volgens dit advies heeft [appellant] planschade geleden, maar overstijgt deze schade het normaal maatschappelijk risico niet.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het advies van de SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Volgens [appellant] is de door de SAOZ vastgestelde waarde van het perceel op de peildatum, te weten € 1.425.000,00, te hoog. Dit blijkt uit de op 18 september 2014 vastgestelde WOZ-waarde van het perceel, te weten € 975.000,00, welke waarde min of meer in overeenstemming is met de waarde die regionale makelaars aan het perceel toekennen, te weten € 950.000,00. In dit verband wijst [appellant] erop dat de SAOZ bij de waardering van het perceel ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de feitelijke uitstraling van de grootschalige evenementen die worden georganiseerd op de gronden ten oosten van het perceel, de mogelijkheid om reclameborden te plaatsen, de toename van lawaai veroorzaakt door Strandlodge Winterswijk, de mogelijkheid een zendmast te plaatsen en het gegeven dat de in het bestemmingsplan "Recreatiepark Het Winkel" opgenomen groenstrook nog niet is gerealiseerd. Hoewel deze verschillende elementen mogelijk niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of een planologische verslechtering heeft plaatsgevonden, drukken ze wel op de waarde van het perceel en hadden ze om die reden bij de taxatie van het perceel betrokken moeten worden. [appellant] heeft er voorts op gewezen dat het perceel Leeferdinklaan 4 dat door de SAOZ als referentieobject is gehanteerd niet vergelijkbaar is met het perceel.

4.1. Vooropgesteld wordt dat voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Of de genoemde groenstrook niet gerealiseerd is, zoals [appellant] stelt, doet dan ook niet ter zake. De SAOZ heeft hier derhalve terecht geen rekening mee gehouden. Omdat het bestemmingsplan "Recreatiepark Het Winkel" niet voorziet in de mogelijkheid om evenementen te organiseren en reclameborden en een zendmast te plaatsen, heeft de SAOZ ook hiermee terecht geen rekening gehouden. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de SAOZ de geluidstoename die voortvloeit uit de planwijziging onjuist heeft beoordeeld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 30 april 2014 in zaak nr. 201305359/1/A2), wordt bij het vaststellen van de WOZ-waarde niet, zoals bij planvergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime. Dit neemt evenwel niet weg dat van het college kan worden verlangd dat het zijn besluit van een nadere motivering voorziet ingeval een aanzienlijk verschil tussen de WOZ-waarde en de taxatiewaarde in het kader van planschade bestaat. Het college heeft zich in zijn besluit van 18 september 2014 terecht op het standpunt gesteld dat de SAOZ de wijze waarop zij het perceel heeft getaxeerd uitgebreid heeft toegelicht en dat zij hierbij ook is ingegaan op de selectie van de referentieobjecten. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, brengt het enkel plaatsen van kritische kanttekeningen door [appellant] niet met zich dat het door de SAOZ verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank heeft er verder terecht op gewezen dat de op 18 september 2014 vastgestelde WOZ-waarde niet door een heffingsambtenaar, maar zelf voorziend door de rechtbank Gelderland is vastgesteld en dat de rechtbank niet met gebruikmaking van referentieobjecten, maar schattenderwijs tot deze waarde in het kader van de WOZ is gekomen. Reeds omdat [appellant] zijn stelling dat de waarde van het perceel door regionale makelaars veel lager is vastgesteld dan door de SAOZ niet met gegevens of bescheiden heeft gestaafd, kan ook hetgeen hij hierover heeft aangevoerd hem niet baten. Gelet op het voorgaande kan het beroep op de betekenis van de lagere WOZ-waarde geen doel treffen.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het advies van de SAOZ aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bindels

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

85-735.