Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3529

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201503154/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de raad de aanvraag van [appellanten] om een bestemmingsplan vast te stellen waarmee de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing (vab)" aan het perceel [locatie A] wordt toegekend en van het perceel [locatie B] wordt verwijderd, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201503154/1/R2.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

en

de raad van de gemeente Woerden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2015 heeft de raad de aanvraag van [appellanten] om een bestemmingsplan vast te stellen waarmee de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing (vab)" aan het perceel [locatie A] wordt toegekend en van het perceel [locatie B] wordt verwijderd, afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2015 heeft de raad de door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2015, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door A.H. Chaudron en mr. S. de Rijke, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

2. [appellanten] hebben de raad op 10 maart 2014 verzocht om door middel van een herziening van het thans geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied, Kamerik, Zegveld", vastgesteld door de raad op 3 juli 2008 (hierna: het geldende bestemmingsplan), aan hun perceel [locatie A] te Zegveld de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" (hierna: "vab") toe te kennen. Op 10 juli 2014 hebben [appellanten] de raad voorts verzocht om door middel van een herziening de aanduiding "vab" van het perceel [locatie B] te verwijderen.

3. Ingevolge artikel 37, lid 37.1, van de regels van het geldende bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn in de bestemmingsvlakken met de aanduiding "vab" naast de hoofdactiviteiten voor de huidige bestemming diverse andere ondergeschikte nevenactiviteiten, die in het artikel worden genoemd, toegestaan in de bestaande bebouwing.

Ingevolge lid 37.2, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om vrijstelling te verlenen van de hoofdactiviteiten bij de huidige bestemming ten behoeve van gebruik en eventuele herbouw van bestaande gebouwen binnen een bouwvlak of bestemmingsvlak met de aanduiding "vab" voor diverse ondergeschikte nevenactiviteiten, waaronder ‘bed en breakfast’-appartementen buiten de woning, mits een nachtregister wordt bijgehouden, sprake is van bedrijfsmatige exploitatie en aangesloten is bij een recreatieorganisatie.

Het perceel [locatie A]

4. De raad heeft het verzoek om aan het perceel [locatie A] de aanduiding "vab" toe te kennen afgewezen. Daaraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de aanduiding "vab" ingevolge de Beleidsregel juridische regeling percelen, vastgesteld op 9 november 2004, (hierna: de beleidsregel) die aan het geldende bestemmingsplan ten grondslag ligt, alleen wordt toegekend aan voormalige of vrijkomende agrarische bebouwing. Volgens de raad moet de op het perceel [locatie A] aanwezige bebouwing niet als voormalige of vrijkomende agrarische bebouwing, maar als zogenoemde erfbebouwing worden aangemerkt. Aan dat standpunt heeft hij de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd. Oorspronkelijk was aan de percelen [locatie A] en [locatie C] gezamenlijk één agrarisch bouwvlak toegekend, waarop één agrarisch bedrijf met twee bedrijfswoningen gevestigd was. De woning op het perceel [locatie C] was de oorspronkelijke bedrijfswoning en de woning op het perceel [locatie A] was de tweede bedrijfswoning. In 2000 is deze tweede bedrijfswoning door middel van een binnenplanse wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied Zegveld" afgesplitst van het agrarische bedrijf, en is daaraan een woonbestemming toegekend. De agrarische bedrijfsbebouwing bleef behoren bij de oorspronkelijke bedrijfswoning op het perceel [locatie C], en niet bij de voormalige tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie A]. Dat blijkt volgens de raad uit het feit dat deze bebouwing ten tijde van de afsplitsing, tezamen met de oorspronkelijke bedrijfswoning, een agrarische bestemming heeft behouden. Aan het perceel [locatie C] is vanwege de beëindiging van het agrarische bedrijf ter plaatse in het geldende bestemmingsplan inmiddels een woonbestemming toegekend, waarbij vanwege de aanwezigheid van de voormalige agrarische bebouwing tevens de aanduiding "vab" is toegekend. Uit het voorgaande volgt dat de op het perceel [locatie A] aanwezige bebouwing niet tot de bedrijfsbebouwing van het voormalige agrarische bedrijf behoort, zodat, zo stelt de raad, daaraan niet de aanduiding "vab" had moeten worden toegekend. De raad wijst er daarbij nog op dat aan geen enkel perceel binnen het plangebied waarop een voormalige tweede bedrijfswoning aanwezig is de aanduiding "vab" is toegekend, en dat het gelet op de systematiek die bij het opstellen van het geldende bestemmingsplan is gehanteerd ook niet mogelijk was om zowel de aanduiding "voormalige tweede bedrijfswoning" als de aanduiding "vab" aan een perceel toe te kennen.

5. [appellanten] betogen dat de raad op grond van de beleidsregel de aanduiding "vab" aan hun perceel had moeten toekennen. Volgens [appellanten] worden zij door het ontbreken van deze aanduiding en de daarbij behorende gebruiksmogelijkheden benadeeld ten opzichte van eigenaren van percelen in de omgeving waaraan deze aanduiding wel is toegekend.

5.1. De Afdeling overweegt dat uit de toelichting op het geldende bestemmingsplan volgt dat de raad de beleidsregel heeft betrokken bij de voorbereiding van het plan. In de beleidsregel staat dat reeds vrijgekomen en nieuwe vrijkomende agrarische bebouwing de aanduiding "vab" krijgt op de plankaart, onafhankelijk van de huidige bestemming, wanneer het nu of in het verleden een agrarisch bedrijfscomplex is geweest. Voorts staat in de beleidsregel dat een voormalige tweede agrarische bedrijfswoning in principe een woonbestemming met een aanduiding "voormalige (tweede) bedrijfswoning" krijgt.

Op de plankaart is weergegeven dat aan de woning op het perceel [locatie A] de bestemming "Wonen" en de aanduiding "voormalige (tweede) bedrijfswoning" is toegekend en dat aan het perceel [locatie C] de bestemming "Wonen" en de aanduiding "vab" is toegekend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd waarom hij vanwege de hierboven onder 4 weergegeven voorgeschiedenis aan het perceel van [appellanten] de bestemming "Wonen" en de aanduiding "voormalige (tweede) bedrijfswoning" heeft toegekend, en daarom heeft afgezien van het toekennen van de aanduiding "vab". Er is geen grond om [appellanten] te volgen in hun betoog dat aan hun perceel de aanduiding "vab" had moeten worden toegekend. [appellanten] hebben ter zitting gesteld dat in het verleden een aparte vergunning is verleend voor de op hun perceel aanwezige stal. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Immers, ook als deze stelling juist zou zijn, volgt daaruit niet dat hun stal als voormalige agrarische bebouwing is aan te merken in de zin van de beleidsregel. Evenmin biedt deze stelling aanleiding het standpunt van de raad over de omvang van de agrarische bedrijfsbebouwing van het voormalige agrarische bedrijf onjuist te achten.

Voor zover [appellanten] betogen dat zij door het ontbreken van de aanduiding "vab" ongelijk worden behandeld ten opzichte van eigenaren van percelen waaraan deze aanduiding wel is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft gesteld dat op gronden waaraan de aanduiding "vab" is toegekend geen tweede voormalige agrarische bedrijfswoning aanwezig is en dat die situaties dan ook verschillen van de aan de orde zijnde situatie. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het verzoek van [appellanten] om herziening van het bestemmingsplan met betrekking tot het perceel [locatie A] niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

Het betoog faalt.

Het perceel [locatie B]

6. Met betrekking tot het verzoek van [appellanten] om door middel van een planherziening de aanduiding "vab" van het perceel [locatie B] te verwijderen, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat toekenning van deze aanduiding aan het betreffende perceel in het geldende bestemmingsplan een omissie betreft, omdat op het perceel voorheen geen agrarisch bedrijf was gevestigd. Volgens de raad bestaat echter geen aanleiding om deze omissie thans door middel van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan te herstellen. Aan dat standpunt legt hij ten grondslag dat [appellanten] geen eigenaar zijn van het bestreden perceel en dat zij eventuele bezwaren tegen de planologische regeling tijdens de terinzagelegging van het geldende bestemmingsplan naar voren hadden kunnen brengen. De raad acht het belang van de eigenaar van het perceel [locatie B] van rechtszekerheid bij de voor zijn gronden geldende planologische regeling in dit geval groter dan het belang van [appellanten] bij het vaststellen van een nieuw plan.

Voorts heeft de raad aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat van het toekennen van de aanduiding "vab" aan het perceel [locatie B] geen onaanvaardbare ruimtelijke gevolgen te verwachten zijn.

7. [appellanten] betogen dat de raad in hun verzoek aanleiding had moeten zien een nieuw plan vast te stellen ten aanzien van het perceel [locatie B]. Daartoe voeren zij aan dat de eigenaren van het perceel [locatie B] door de omissie van de raad ten onrechte over gebruiksmogelijkheden beschikken, zoals de verwezenlijking van een ‘bed & breakfast’, die ertoe kunnen leiden dat hun woongenot wordt aangetast.

7.1. De afstand tussen de woning van [appellanten] en het perceel [locatie B] bedraagt ongeveer 70 m. De bestaande bebouwing op het perceel [locatie B] bestaat uit een woning en een bijgebouw met een oppervlakte van ongeveer 25 m2. Niet in geschil is dat ingevolge de planvoorschriften de totale oppervlakte van bijgebouwen op het perceel maximaal 50 m2 mag bedragen. Gelet op de afstand en op de toegestane omvang van bijgebouwen heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de aanduiding "vab" op het perceel [locatie B] geen onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellanten] te verwachten zijn. Bij dat oordeel betrekt de Afdeling dat [appellanten] ter zitting hebben verduidelijkt er met name voor te vrezen dat in het bestaande bijgebouw een ‘bed & breakfast’ wordt verwezenlijkt, en de raad er in dat verband op heeft gewezen dat dergelijk gebruik ingevolge artikel 37, lid 37.2, van de planvoorschriften uitsluitend is toegestaan indien het college van burgemeester en wethouders daartoe een vrijstelling (thans: een omgevingsvergunning) verleent. Voorts heeft de raad er op gewezen dat dergelijk gebruik uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit kan worden toegestaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid hun verzoek om het geldende bestemmingsplan met betrekking tot het perceel [locatie B] te herzien heeft kunnen afwijzen.

Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

159-820.