Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2015:3527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
201502046/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:994, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij drie onderscheiden besluiten van 5 februari 2014 heeft de minister [appellante] boetes opgelegd van in totaal € 41.500,00 wegens vijf overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en een overtreding van artikel 2a, eerste lid, van de Wav.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 2a
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2016/9

Uitspraak

201502046/1/V6.

Datum uitspraak: 18 november 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2015 in zaak nr. 14/8726 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij drie onderscheiden besluiten van 5 februari 2014 heeft de minister [appellante] boetes opgelegd van in totaal € 41.500,00 wegens vijf overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en een overtreding van artikel 2a, eerste lid, van de Wav.

Bij besluit van 1 augustus 2014 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2015, waar [appellante], vertegenwoordigd door N.A. van Dijk, werkzaam bij Loyens & Loeff, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Farahani, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, moet een werkgever die een vreemdeling arbeid in Nederland laat verrichten, voor wie het verbod, bedoeld in artikel 2, niet geldt, dit gegeven ten minste twee werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk melden aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen instantie, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, onder 5˚, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: het Besluit) is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en die incidentele arbeid verricht uitsluitend bestaande uit het werkzaam zijn in de huishouding van toeristen.

2. De drie door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapporten van 22 mei 2013 houden in dat zes vreemdelingen van Indiase nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) voor [appellante] arbeid hebben verricht, bestaande uit het bereiden van voedsel. Voor de tewerkstelling van vijf van de vreemdelingen (hierna: de vijf vreemdelingen) beschikte [appellante] niet over de vereiste tewerkstellingsvergunning. Voor de tewerkstelling van een van de vreemdelingen was geen tewerkstellingsvergunning vereist, maar [appellante] heeft nagelaten dit te melden bij het UWV Werkbedrijf. De boeterapporten houden voorts in dat de vreemdelingen de arbeid verrichtten in zogeheten kookcampers, die [appellante] aan verschillende reisorganisaties had verhuurd. De maaltijdbereiding vond plaats voor Indiase toeristen die een rondreis door Europa maakten.

3. [appellante] heeft ter zitting van de Afdeling de beroepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij zich met succes kan beroepen op artikel 1e, eerste lid, van het Besluit, ingetrokken.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij zich niet met succes kan beroepen op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, onder 5˚, van het Besluit voor zover het de tewerkstelling van de vijf vreemdelingen betreft. [appellante] voert daartoe aan dat de door de vreemdelingen verrichte werkzaamheden zijn aan te merken als werkzaamheden in de huishouding van toeristen. Volgens [appellante] ziet deze bepaling niet op arbeid die in de eigen woning van toeristen wordt verricht, nu een toerist doorgaans in een hotel of vakantiewoning verblijft. Deze bepaling bestrijkt dan ook de huishoudelijke werkzaamheden die worden verricht op de locatie waar de betrokken toerist zich bevindt. Het voor toeristen bereiden van maaltijden in een kookcamper valt hieronder, aldus [appellante].

4.1. De minister heeft zich in het besluit van 1 augustus 2014 op het standpunt gesteld dat artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, onder 5˚, van het Besluit ziet op de situatie waarin een gezin tijdelijk met toeristische doeleinden in Nederland verblijft met medeneming van het eigen huishoudelijk personeel. Dit valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling evenwel niet af te leiden. Ook overigens heeft de minister dit standpunt niet gestaafd.

Wat daar verder ook van zij, [appellante] betoogt tevergeefs dat de door de vreemdelingen verrichte arbeid heeft bestaan uit het werkzaam zijn in de huishouding van toeristen. Daartoe is ten eerste redengevend dat de maaltijdbereiding plaatsvond in de door [appellante] verhuurde kookcampers. Daar komt bij dat de vreemdelingen werkzaam waren voor een gezelschap van toeristen die gezamenlijk een rondreis maakten. De werkzaamheden zijn aldus veeleer aan te merken als cateringwerkzaamheden die niet in de huishoudelijke sfeer zijn verricht. Dit vindt steun in het feit dat de vreemdelingen in dienst waren bij [appellante] dan wel de onder 2 bedoelde reisorganisaties.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Oei

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015

670.